In alle kunst op zoek naar vrijheid

Hugo Claus bleef zijn leven lang zich vernieuwen. Hij was niet alleen schrijver en dichter, maar ook filmer, toneelschrijver een beeldend kunstenaar.

Hugo Claus in maart 1994 Foto NRC Handelsblad, Vincent Menztel Hugo CLAUS , auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH MEER FOTO`S IN PAPIEREN ARCHIEF Mentzel, Vincent

Verdriet is een klein woord voor het gevoel dat Vlaanderen gisteren in zijn greep kreeg. Eigenlijk had deze lente in het teken moeten staan van het 25-jarig jubileum van Het verdriet van België. Een eindeloze stoet Vlaamse schrijvers zou de grootste uit hun midden eer bewijzen op podia en op papier. Maar halverwege de festiviteiten is Hugo Claus zelf van het toneel verdwenen. In een ziekenhuis in Antwerpen stierf hij, 78 jaar oud, volgens zijn weduwe op een door hemzelf bepaald moment. Claus had Alzheimer. „Ik ben niet bang voor de dood, ik ben bang voor het verval”, zei hij jaren geleden al.

Met Claus is de grote bevrijder van de Vlaamse letteren gestorven, de man die volgende generaties de weg wees uit het moeras van kleinburgerlijke behoudzucht. Van Tom Lanoye en Erwin Mortier tot Stefan Brijs en Dimitri Verhulst – er is amper een Vlaamse schrijver voor wie hij geen belangrijke wegbereider was. Maar Claus was vooral een schrijver die zichzelf alle vrijheid gunde. De vrijheid om taboeonderwerpen aan te snijden, zoals seks en collaboratie. De vrijheid om zich te richten op literatuur van over de grens. Maar vooral de vrijheid om te experimenteren, om zichzelf steeds weer te vernieuwen. Met de ambitie en de hoogmoed van een jongen van twaalf, zoals hij zichzelf ooit omschreef. „Al ben ik negentien als ik schrijf”, voegde hij daaraan toe.

Het verhaal van Hugo Claus is het verhaal van een wonderkind dat op zijn twintigste de literatuur binnenstormde en met blijvende jeugdige overmoed weigerde zichzelf beperkingen op te leggen. Niet in zijn exuberante stijl (hij kon Elsschot wel bewonderen, maar beleefde er geen plezier aan), niet in genre (proza, poëzie, toneel – met film en beeldende kunst er nog bij), en niet in zijn productie; zijn bibliografie omvat meer dan driehonderd boeken. „Voor mij telt alleen het experiment dat ik onderneem”, zei hij in 1978.

Het is ook de geschiedenis van een man die een kolossaal oeuvre bijeen schreef waarin hij niet eenmaal, maar tweemaal boven zichzelf uitsteeg. Voor het eerst deed hij dat toen hij 26 was, met de magistrale poëzie van De Oostakkerse gedichten. Dertig jaar later, in 1983, deelde hij zijn tweede grote klap uit: Het verdriet van België. In die grote en grootse roman slingerde hij zijn landgenoten alle ellende in het gezicht: de kostscholen, de kleinburgerlijkheid, het katholicisme en de collaboratie. Maar ook was de geschiedenis van hoofdpersoon Louis Seynaeve een schitterende evocatie van wat er voor een jongeling aan de hemel gloorde: de lokroep van de kunst, de kunst die je uit de modder kan bevrijden. Het was het verhaal van België maar evenzeer het verhaal van Hugo Claus zelf.

Dat vertelde hij in een onvergetelijke stijl, die veel Nederlanders voor authentiek Vlaams dialect hielden, maar die vooral clausiaans is, een mengsel van alles met vooral veel van hemzelf. In de woorden van de schrijver zelf: „Ik wil niet wegzakken in een folkloristisch, provinciaal taaltje. Maar ik betreur evenzeer hoe sommige schrijvers zo nodig keurig netjes Nederlands willen schrijven.”

De onbarmhartige spiegel die Claus België voorhield, bleek niet alleen aan de Belgen besteed.

Hugo Claus werd een internationale ster en won op een haar na de Nobelprijs. Het verdriet van België haalde zelfs de prestigieuze reeks Modern Classics van Penguin.

Vervolg Claus: pagina 10

Steeds keerde Hugo Claus naar zijn Vlaanderen terug

Hugo Claus Kunst om je uit de modder van België te bevrijden: klassiekers voor toneel, grillig schilder en ook nog filmmaker

De Nobelprijs ontging hem jaar na jaar, maar de grote prijzen uit de lage landen kreeg hij wel allemaal, onder meer de Constantijn Huygensprijs in 1979 en de Prijs der Nederlandse Letteren in 1986.

Al die erkenning was nog ver weg toen Hugo Claus begin jaren vijftig de Vlaamse letteren binnentrad. Toen was het vooral schrikken. Niet alleen was hij onbehoorlijk jong, 21, bij de verschijning van zijn romandebuut De Metsiers, hij stootte ook dadelijk de conservatieve katholieke intelligentsia voor het hoofd. Want in De Metsiers werd onbekommerd over seks gesproken, wat de jonge schrijver dadelijk een reputatie als ‘smeerpijp’ bezorgde. In literaire zin was het boek opmerkelijk omdat het geen aansluiting zocht bij de bestaande Nederlandstalige literatuur, maar bij het buitenland. Meer in het bijzonder bij William Faulkner, uit wiens As I lay dying Claus het wisselende vertelperspectief leende.

Later zou Claus luchtig doen over de ontstaansgeschiedenis van De Metsiers: een uitgever had hem in 1948 om een boek naar Amerikaans model gevraagd en hij had het in een maand even geschreven. Toen de uitgever uiteindelijk afhaakte, had hij het maar ingestuurd voor de Leo Krijnprijs van uitgeverij Manteau, waarmee het boek in 1950 vervolgens ook werd bekroond. Uit zijn brieven blijkt dat hij helemaal niet zo ontspannen tegenover het project stond.

Hugo Maurice Julien Claus werd op 5 april 1929 geboren in Brugge, als zoon van een drukker. Zijn jeugd was er een van kostscholen; veel ervan staat beschreven in Het verdriet van België. Na zijn middelbare schooltijd bezocht hij de toneelschool van de Koninklijke Academie der Schone Kunsten. In 1947 trok hij naar Noord-Frankrijk om er in een suikerfabriek te werken. Eerder dat jaar had hij op de drukpers van zijn vader al zijn eerste dichtbundel Kleine Reeks gedrukt.

Begin jaren vijftig trok Claus naar Parijs waar hij in contact kwam met de schilders van de Cobra-groep en de Nederlandse Vijftigers. Hij sloot er vriendschap met Simon Vinkenoog zoals hij dat later ook met zijn Mulisch en Nooteboom zou doen. In de experimentele kringen viel veel op zijn plaats. In 1955 publiceerde Claus De Oostakkerse gedichten, een bundel die hem meteen tot een van de belangrijkste dichters maakte. De cyclus Een vrouw bevat tal van zinderende, seksuele maar ook onheilspellende regels:

Het moordenaarszaad schiet woedende wortels./ Hoe zal ik, herderin, in u ontvlammen?/ Netel in het gras?// Een hese vrouw welt uit uw keel/ En dooft de morgen in zijn hinderlagen/ Uw huid,// Dat wild/ En waaiend riet waarin ik vlammen rijd,/ Verbrandt verrast.

Vaak is de bundel geïnterpreteerd als associaties rondom groei en vruchtbaarheid, maar de gedichten zitten vol verwijzingen. Die beginnen al bij de titel: Oostakker is niet alleen het Vlaamse dorp waar Claus’ ouders enige tijd woonden, het is ook een Maria-bedevaartsoord. Het maakt dat de gedichten ook gaan over de bevrijding uit de sfeer van familie en katholicisme, waarmee ze plotseling weer dicht komen te staan bij Het verdriet van België. Maar ook Vergilius en Victor Hugo komen voorbij, net als Roodkapje in de regel „Heb ik dan grote ogen”.

Een van de opmerkelijkste romans van Claus verschijnt in 1962: De verwondering, het verhaal van een leraar die zich het hoofd op hol laat brengen door oud-nazi’s. Het staat tjokvol literaire verwijzingen naar boeken en schrijvers als de Divina Commedia, Alice in Wonderland, Beckett en Robbe Grillet. Claus zelf beschouwde het als een nieuwe stap: „Al mijn vorige boeken zijn geschreven in twee maanden: beginnen en stoppen, afgelopen. Deze manier van werken blijkt me de laatste jaren onmogelijk. Ik kan dat niet meer. Daarom beschouw ik De verwondering als mijn eerste boek.”

In de jaren vijftig en zestig werd Claus beroemder, maar niet minder controversieel. Nadat hij in 1968 in een toneelstuk drie naakte mannen de Drie-eenheid had laten uitbeelden, werd hij veroordeeld tot vier maanden gevangenis. Niet alleen zijn verhouding tot de autoriteiten was moeizaam, ook die tot zijn collega-schrijvers. „Ik voel me hier zo vreemd, afgezonderd”, zei hij in 1959. „De enige jongere in de Vlaamse literatuur tot wie ik me aangetrokken voel is Louis-Paul Boon.” Claus zou veel verhuizen en verschillende malen overwegen zich definitief elders te vestigen, maar keerde steeds naar Vlaanderen terug.

Dat Claus De verwondering uit 1962 op een bepaalde manier als zijn eerste boek beschouwde, betekende niet dat al zijn volgende romans op dat boek zouden gaan lijken. Zo zijn Omtrent Deedee (1962) en Het jaar van de kreeft (1972) conventioneler. Dat laatste boek is Claus meest Nederlandse roman, over de gedoemde liefde tussen een man en een vrouw – in die laatste is de Nederlandse actrice Kitty Courbois te herkennen.

De vorm van Claus’ romans mocht verschillen, bepaalde thema’s kwamen er steeds in terug. Ze werden ook steeds meer voer voor het groeiende leger Claus-exegeten. Niet altijd tot vreugde van de auteur zelf, die in 1994 in NRC Handelsblad zei: „Ze hebben gezegd dat ik op zoek ben naar zuiverheid. De seksualiteit als doem mag ik ook nog wel eens horen, evenals de druk van de gevestigde autoriteiten – de kerk, de familie, de staat – en de pogingen daaraan te ontsnappen. Dat zijn de gemeenplaatsen die ik overal tegenkom, niet tot mijn ergernis, nee, maar ik denk wel, zeer oprecht, dat mijn wereld ergens anders over gaat. Wat dat is, ben ik nog altijd aan het uitproberen, op mijn zelfgenoegzame leeftijd.”

Met dat uitproberen ging hij rustig door, ook toen hij zich voor niemand meer hoefde te bewijzen. In 1994 kreeg hij nog de VSB-poëzieprijs voor De sporen en halverwege de jaren negentig publiceerde hij nog twee magistrale romans De geruchten (bekroond met de Librisprijs 1997) en Onvoltooid verleden (1998), die te lezen zijn als een vervolg op Het verdriet van België, nu niet meer gecentreerd rond de Tweede Wereldoorlog, maar in de jaren van de affaire-Dutroux.

In de nieuwe eeuw schreef Claus gaandeweg minder en de laatste jaren verscheen hij steeds minder in het openbaar, al was hij twee jaar geleden aanwezig bij de begrafenis van Gerard Reve en vorig jaar bij die van Jan Wolkers.

Eind 2006 werd vastgesteld dat hij Alzheimer had. Wat die aandoening voor hem in petto had wilde hij niet afwachten. Hij was bang om af te takelen. „Ik denk daarbij aan de aftakeling door ziekte van mijn vader. Dat wil ik niet meemaken. De man smeekte mij om een pilletje en zei: ‘Praat met de dokter’. Maar die wilde niets geven.” Dat Claus dat pilletje zelf wel had kun je zien als een laatste zege op het conservatisme waar hij zijn hele leven tegen streed. Maar het is een kleine overwinning bij een groot verdriet.

Meer over Claus op nrc.nl/kunst

Morgen in Boeken: artikelen van Cees Nooteboom en Marcel Möring over Hugo Claus

    • Arjen Fortuin