Hij was te bijzonder om concurrent te zijn

Schrijvers die hem meemaakten, prijzen Hugo Claus om de vitaliteit van zijn literaire werk, en zijn artistieke veelzijdigheid.

Hugo Claus (rechts) met Karel Appel Foto NFPb NFPb

Harry Mulisch, schrijver: „Ik ken Hugo vanaf zijn twintigste, ben twee jaar ouder. Samen hebben we hele dagen aan het libretto voor de opera Reconstructie van Peter Schat (1969, over Che Guevara, red.) zitten werken, een theepot saké tussen ons op tafel. De werkwijze was typerend: ik bedacht de grote lijnen, Hugo de invulling. Hij was precies, realistisch – zoals in al zijn werk. Tussen ons was nooit concurrentie, daarvoor waren wij te verschillend. Hugo was een joviale, bourgondisch ingestelde man, en een on-Nederlandse schrijver. Hij was meer Frans georiënteerd, had weinig met Nederlandse literatuur: Reve, Hermans. Net als ikzelf, overigens. Hugo was een universeel genie, maar vond zichzelf vooral dichter. En ik denk dat hij daar ook gelijk in had; zijn dichterlijke inborst zie je terug in zijn proza, theaterstukken, scenario’s. Zijn vroege werk vind ik zelf het mooist. Vooral de Oostakkerse gedichten. Daar straalt de poëzie vanaf.”

Ronald Plasterk, minister van cultuur:„Met Hugo Claus is een groot schrijver heen gegaan: dichter, romancier, scenarioschrijver. Claus was Vlaming in hart en nieren en zijn grote populariteit in Nederland illustreert de gezamenlijkheid van het Nederlandse taalgebied.”

Hella Haasse, Schrijver: „Claus was een groot schrijver in het Nederlandse taalgebied. Een uniek dichterlijk talent, die aan zijn romans tegelijkertijd een doorwrochte constructie gaf. Samen met collega-Vlaming Louis-Paul Boom behoorde hij tot de top van de Nederlandse letterkunde. Ik heb vaak persoonlijk contact met hem gehad, maar echt diepgaand bevriend waren wij niet. Ik kende hem meer als lezer. Maar hij was een bijzondere persoonlijkheid.”

Vervolg Reacties: pagina 11

‘Voor mij is Claus de belangrijkste’

Robbert Ammerlaan, uitgever Bezige Bij: „Hugo was een ongekend talent, een trouwe vriend en de steun en toeverlaat van een uitgever. Hij was innemend en ontwapend en tegelijk sterk en eigenzinnig. Ik beschouw hem als de prins van de Nederlandstalige literatuur; hij excelleerde in zoveel genres, bereikte een uitzonderlijk hoog niveau. De keuze voor euthanasie past bij hem. Hij heeft bij voorbaat een keuze gemaakt voor het leven, en dus ook voor een waardig afscheid van het leven.”

Simon Vinkenoog, schrijver: „Ik leerde hem kennen in Parijs, in 1950. Tot de kleine Hollandse kolonie behoorden ook de schildersvrienden Corneille, Appel en Constant. Rudie Kousbroek woonde er en Bert Schierbeek. Remco Campert kwam op bezoek. Kortom, het was een vruchtbare uitwisseling van leeftijdsgenoten. Toen Hugo Claus met zijn vrouw in 1951 naar Rome ging, begon onze briefwisseling. Briefwisseling 1951-1956 verschijnt in juni bij de Bezige Bij. Hugo Claus was een bijzonder uitbundige man die het leven bejahde. Hij was een erudiet die zich voor alles interesseerde en die mooi kon schrijven. De dood van iemand raakt je heel diep als je tachtig bent. Ik had net onze brieven herlezen en weet weer hoe we langs de Seine liepen en de meisjes die ons zoenden. Ik heb hem in 2005 voor het laatst ontmoet bij zijn expositie in het Cobra Museum.”

Remco Campert, schrijver en vriend: „Het overlijden van Hugo is een groot verlies. Claus is de grootste schrijver van mijn generatie. Ik bewonderde hem. Hij deed ook zo veel: toneel, films, romans, poëzie. Echt prachtige poëzie. Alles van Claus is prachtig.”

Ton Lutz, regisseur en acteur: „Hugo Claus was een dichter en een theaterman tegelijk. Ik kreeg zijn eerste stuk, Een bruid in de morgen, in handen nadat het door de Nederlandse Comedie was afgewezen. Ik vond het een meesterwerk en heb het in 1955 meteen gespeeld bij het Rotterdams Toneel. Samen hebben Hugo en ik in de daaropvolgende jaren dertien stukken tot stand gebracht. Later heeft hij niet meer zo veel voor het toneel geschreven. Als ik wel eens aan hem vroeg of hij niet weer een toneelstuk wilde schrijven, zei hij: ‘wat er komt, komt er’. Ik ben erg geschrokken van zijn dood.”

Tom Lanoye, schrijver: „Ik kan me geen auteur voorstellen van wie de dood mij zo zou aangrijpen als die van Claus. Voor mij is hij de belangrijkste van de grote drie: Boon, Claus en Hermans. Claus heeft een groot stempel op mijn werk gedrukt. Hij was het grootste fenomeen in de Nederlandstalige literatuur ever. Ook internationaal ken ik niemand die zo veelzijdig is en die in elk van de genres poëzie, toneel en proza een meesterwerk heeft afgeleverd. Iedereen wist dat hij er slecht aan toe was, maar ik had niet verwacht dat hij zo snel de beslissing zou nemen. Die past overigens wel bij zijn trots. Gelukkig hebben we hem vorige week nog bij leven een eresaluut kunnen brengen op het Boekenbal waar zijn grote vriend Jan Decleir zijn poëzie voorlas.”

Liesbeth List, zangeres: „Hugo was een groot, aimabel mens. Ik herinner me hem als een lieve, hoffelijke, charmante, goedlachse man. En hij was een leermeester voor me.”

Joost Zwagerman, schrijver: „Zoals ik hem gisteren in oude televisiefragmenten zag, de provocerende, dandy-achtige man, zo heb ik Hugo Claus nooit gekend. Ik heb hem een aantal keren ontmoet bij het Vlaamse literatuurfestival Saint Amour, en daar zag ik een oudere, zachtmoedige, ook wel licht afstandelijke man. De laatste jaren ging het optreden soms moeizaam, maar zijn voordracht was altijd even verpletterend als zijn gedichten. Ik las op de middelbare school de Oostakkerse gedichten en was verbijsterd: ik wist niet dat poëzie ook zo kon zijn; zo wild, zo anarchistisch. Ik las het als een punkbundel. Hugo Claus was ook een minnezanger bij uitstek. Bij Claus ging het, naast vele andere zaken, altijd over de vrouwen – over de liefde, de veroverde liefde, de bereikbaarheid ervan. Hij was een minnezanger bij uitstek. Daarmee kan hij ook nu nog gemakkelijk 15, 16-jarige lezers omverblazen.”