Ethisch beleid is goed en kan dus niet beter

Euthanasie en abortus, vindt staatssecretaris Bussemaker, zijn prima geregeld in Nederland. Daar moet de Kamer niets aan willen veranderen.

Kort nadat het overleg in de Tweede Kamer was begonnen over euthanasie, kwam fractieleider Halsema (GroenLinks) gisteren met het nieuws dat de Belgische schrijver, dichter en schilder Hugo Claus net was overleden. Hij had Alzheimer en op hem was euthanasie toegepast. „Dat is een verworvenheid van onze beschaving”, zei zij.

Maar volgens Halsema is er nog wel wat te verbeteren aan de Nederlandse euthanasiewet, omdat die – meer dan in België – te veel belemmeringen kent. Met name bij dementerenden gaan artsen heel erg terughoudend om met euthanasieverzoeken. Zij zouden de wilsverklaring van dementerende patiënten niet ter hand durven nemen. Want als iemand in een beginnend stadium van dementie schriftelijk verklaart dat hij later euthanasie wil omdat hij niet onwaardig wenst te leven, hoe weet je dat hij dat na drie jaar nog steeds vindt – als deze ziekte in volle omvang heeft toegeslagen?

Halsema wil daarom graag een precisering van de wilsverklaring, waarin de patiënt exact zegt wanneer hij niet meer wil leven. Dan zou het voor artsen veiliger worden er gehoor aan te geven.

Staatssecretaris Bussemaker (VWS, PvdA) voelde er weinig voor. Zij heeft geen signalen dat die behoefte leeft in het land en constateert dat de wet goed werkt, zoals ook de conclusie was van de evaluatiecommissie. Hetzelfde zei zij over de abortuswet, die onlangs ook geëvalueerd is.

Een Kamermeerderheid steunt haar in de opvatting dat het beleid op medisch-ethisch gebied goed is. Tijdens het zes uur durende overleg gisteren werden dan ook voornamelijk grensgevechten uitgevochten, die weinig leken op de verhitte discussies uit de tijd dat de wetten tot stand kwamen.

Bij abortus ging het debat vooral over de bedenktermijn die ongewenst zwangere vrouwen in acht moeten nemen als zij tot abortus over willen gaan. De regering wil de overtijdbehandeling (voor vrouwen die 17 dagen of korter zwanger zijn) onder de abortuswet laten vallen. Zij krijgen voor die vroege zwangerschapsafbreking een flexibele bedenktijd. Voor de zwangerschappen die verder zijn dan 17 dagen is er een verplichte bedenktijd van vijf dagen. Kamerlid Koser Kaya (D66) zei dat ze daar de logica niet van inzag. „Waarom niet een flexibele bedenktermijn voor alle zwangere vrouwen, zoals de evaluatiecommissie aanraadde?” Maar ook haar wens kon niet op de steun van Bussemaker of een Kamermeerderheid rekenen.

„Juist in medisch-ethische kwesties vind ik dat de politiek niet het voortouw moet nemen”, zei Bussemaker. En daarmee strandden de meeste pogingen van Kamerleden die nog iets aan de huidige abortus- en euthanasiepraktijk wilden veranderen.

Zelfs het verzoek van GroenLinks, VVD, D66 en de PvdA om alleen maar te onderzoeken of de bevolking wil dat er een ‘pil van Drion’ komt voor mensen die levensmoe zijn, wees Bussemaker van de hand.

Ook ziet Bussemaker niets in het verlagen van de abortusgrens, die nu op 24 weken is vastgesteld. Daarop had Kamerlid Ormel (CDA) gezinspeeld, omdat door medisch-technologische ontwikkelingen foetussen mogelijk eerder levensvatbaar zijn dan toen de abortuswet in de jaren tachtig van kracht werd. Die discussie wil Bussemaker aan het veld overlaten. Zij wil dat artsen een richtlijn opstellen over het omgaan met extreem vroeg geboren kinderen. Die richtlijn, zegt zij, kan reden zijn voor een discussie over de levensvatbaarheidsgrens van foetussen.