Blurb

De orgastische kreten achter op boeken die bestsellers moeten worden heten blurbs. In de boekenweek regent het blurbs, en daar heb ik deze week diepgravend onderzoek naar gedaan.

Als het goed is, kun je aan de blurb al zien of je het boek moet lezen. ‘Ontroerende vertelling van een bewogen vrouwenleven...’ Nee, bedankt. Of deze: ‘Ze dompelt de lezer in een geurig bad vol mystiek en noodlot.’

Waar komt de blurb vandaan? Het gaat zo: een recensent schrijft een artikel vol met nuances, mitsen en maren, maar ergens staat ineens een zwaar pathetische zin, omdat iedereen zo af en toe wel eens een zwaar pathetische zin wil opschrijven. En precies díé zin wordt door de uitgever verkozen tot blurb. ‘Zijn werk is een stralende en weerbare verwoording van een kernbesef van verlies.’ Je moet er maar op komen.

Andere blurbs zijn neutraler: ‘Dit is een schrijver, weet je meteen.’ Frappant, een schrijver die een boek schrijft. Blijkbaar was er niets positievers te vinden. Het komt ook voor dat een recensent bijvoorbeeld schrijft: ‘Wat dit in ieder geval níét is, is een goed boek’, en dat de blurb dan wordt ‘...een goed boek’.

Dan zijn er nog het soort blurbs waar zo veel bijvoeglijke naamwoorden in staan dat je door de bomen het bos niet meer ziet: ‘Complexe, weerbarstige, woeste, wonderlijke bundel’, of ‘Prachtig, sober, meeslepend en aangrijpend’, of, hou je vast: ‘Een adembenemend verhaal, dat afwisselend idyllisch, romantisch, melancholisch, spannend en ontroerend is.’

Ten slotte zijn er nog de blurbs die je net zo goed als een belediging zou kunnen opvatten: ‘Door de veelheid aan details overdondert hij de lezer.’

Het is een apart genre, de blurb. De volgende woorden doen het, blijkens mijn onderzoek, goed: indringend, zinderend, vertelplezier, scherpzinnig, verbeeldingskracht, subliem, rasverteller, dwingend, duister, meeslepend, messcherp en ontroerend. En natuurlijk het blurbwoord aller blurbwoorden: verontrustend. ‘Een verontrustende roman’ klinkt negatief, maar in blurbland is dit juist een aanprijzing. En niemand weet waarom.

    • Paulien Cornelisse