Bejubelde schandaalmaker

De Vlaamse auteur Hugo Claus is gisteren overleden.

Jarenlang gold hij als serieuze kandidaat om de Nobelprijs te krijgen.

Hugo Claus in februari 1969, op 39-jarige leeftijd. Foto H. Kuiper Kuiper, H.

Het had de lente van Hugo Claus moeten worden. Deze maand is het 25 jaar geleden dat zijn meesterwerk Het verdriet van België verscheen en dat werd gevierd met een reeks manifestaties en publicaties, met hommages van vrijwel alle Vlaamse schrijvers van belang aan de grootste in hun midden.

Claus, die leed aan de Ziekte van Alzheimer, heeft het einde van de festiviteiten niet meegemaakt. De afgelopen weken nam hij in een aantal bijeenkomsten afscheid van zijn vrienden, gisteren overleed hij in een ziekenhuis in Antwerpen op een door hemzelf bepaald moment. Hij was 78 jaar oud. Jarenlang gold hij als de enige serieuze kandidaat om als eerste Nederlandstalige schrijver de Nobelprijs te krijgen.

„Ik kan mij geen auteur voorstellen van wie de dood mij meer zou aangrijpen”, zei de Vlaamse schrijver Tom Lanoye gisteren vanuit Zuid-Afrika. „Claus was een fenomeen. Ook in het buitenland ken ik geen schrijver die zo veelzijdig was. Zowel in zijn poëzie, zijn toneelwerk als in zijn romans was hij onvergelijkbaar.”

Hugo Claus heeft de Vlaamse literatuur gedomineerd vanaf het moment dat hij in 1950, 21 jaar jong, debuteerde met De Metsiers, een korte familiekroniek over verloren onschuld waarin het verhaal afwisselend door de verschillende personages werd verteld – een vorm die de invloed van de Amerikaanse grootmeester Faulkner verried. De roman maakte hem in één klap beroemd én berucht in Vlaanderen, waar de culturele wereld nog door conservatieve katholieken werd overheerst. Die moesten niets hebben van de openlijke manier waarop in De Metsiers over seks werd gesproken. Het zou niet de laatste keer zijn dat Claus schandaal veroorzaakte. Zijn eerste toneelstuk, Een bruid in de morgen (1953), draait om een incestueuze relatie, wat zijn reputatie als goddeloos schrijver alleen maar versterkte. En nadat hij in 1968 in een toneelstuk drie naakte mannen de Heilige Drie-eenheid had laten uitbeelden, werd hij veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf. Claus zou in de loop van zijn leven verschillende malen overwegen zich definitief elders te vestigen, maar keerde steeds weer naar Vlaanderen terug.

Wat Claus aan maatschappelijk schandaal veroorzaakte, viel in het niet bij de literaire storm waar hij verantwoordelijk voor was. Hij raakte bevriend met zijn Nederlandse generatiegenoten Nooteboom en Mulisch en hij kwam in Parijs in contact met experimentele dichters als Simon Vinkenoog. In 1955 publiceerde Claus De Oostakkerse gedichten, een goeddeels aan de vruchtbaarheid gewijde bundel met zinderende regels als: ‘Het moordenaarszaad schiet woedende wortels./ Hoe zal ik, herderin, in u ontvlammen?/ Netel in het gras?// Een hese vrouw welt uit uw keel / En dooft de morgen in zijn hinderlagen./ Uw huid,// Dat wild/ En waaiend riet waarin ik vlammen rijd,/ Verbrandt verrast.’

Een steeds groter publiek bereikte Claus met zijn toneelstukken, waarvan Suiker (1958) en Vrijdag (1969) het bekendste werden. Zijn veelzijdigheid kwam nog verder tot uitdrukking in schilderijen en beeldhouwwerken. „Ik bied mijn lezers een bijenkorf”, zei hij over zijn eigen werk.

Intussen groeide ook het prozaoeuvre van Claus gestaag, met romans als Het jaar van de kreeft, De koele minnaar en De verwondering. Het absolute hoogtepunt in de loopbaan volgde in 1983 met Het verdriet van België. In die 800 pagina’s dikke, barokke vertelling over de opgroeiende Louis Seynaeve komen veel elementen uit Claus werk samen: het verlies van de jeugdige onschuld, de afkeer van de katholieke burgerlijkheid en de alles doordringende lokroep van de kunst. Claus schreef de roman in een onvergelijkbare stijl die door Nederlanders weleens voor ‘typisch Vlaams’ werd gehouden, maar die vooral clausiaans was. Over zijn relatie tot het Nederlands zei hij eens: „Ik wil niet wegzakken in een folkloristisch, provinciaal taaltje. Maar ik betreur evenzeer hoe sommige schrijvers zo nodig keurig netjes Nederlands willen schrijven.”

Het boek maakte Claus niet alleen tot een ster in Vlaanderen en Holland, maar ook tot een internationale grootheid. Het boek werd over de hele wereld vertaald en bejubeld. In 1996 was hij volgens geruchten bijna bekroond met de Nobelprijs, die uiteindelijk naar de Poolse Wislawa Szymborska ging. Veel andere literaire prijzen kreeg hij wel: de Belgische staatsprijzen voor toneel, proza en poëzie, de Constantijn Huygensprijs (1979) en de Prijs der Nederlandse Letteren in 1986. In 1997 werd zijn roman De geruchten bekroond met de Libris Literatuurprijs.

Vorige week werd Claus op het Boekenbal nog geëerd door een van zijn vrienden, de acteur Jan Decleir, die zijn erotische poëziecyclus Nu nog voorlas. Ondanks problemen met het geluid hing de zaal van begin tot eind aan zijn lippen. Achteraf is het de laatste hommage tijdens het leven van Hugo Claus geweest. Volgende maand, op 13 april, vindt een volgende manifestatie plaats. Daar zullen verschillende schrijvers hun versie ten gehore brengen van een verloren gewaand werk van Hugo Claus. Symbolischer had men het thema van die avond niet kunnen kiezen: de fakkel moet worden overgenomen. Maar met één lege stoel in de zaal.

    • Arjen Fortuin