Zou de minister evolutielastering ook accepteren?

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: wat betekent godslastering eigenlijk?

Een meerderheid van PvdA, SP, VVD, GroenLinks en D66 wil af van de strafbaarstelling van godslastering in het Wetboek van Strafrecht. Want, „God hoort niet thuis in het recht en de politiek”, stelde SP-Kamerlid Jan de Wit. Het CDA en de ChristenUnie hebben zich echter al tegen het voornemen verzet. Zij zien in afschaffing een „gebrek aan begrip voor gelovigen”. Een slimme wending in de discussie van minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie, CDA) heeft het schrappen van de wet nu op de lange baan geschoven. De minister wil het artikel niet afschaffen, maar juist uitbreiden met „andere levensbeschouwingen dan de christelijke, inclusief niet-gelovigen”. Daarmee lijkt hij tegemoet te komen aan de wens van de andere partijen om gelovigen en niet-gelovigen voor de wet als gelijken te zien.

Nu is er op het eerste gezicht weinig reden om de strafbaarstelling van godslastering te schrappen. Het verbod op blasfemie betreft namelijk een dode letter. De wet, die in 1932 werd ingevoerd door de grootvader van minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken, CDA), functioneert niet meer sinds schrijver Gerard Reve in 1968 werd vrijgesproken voor zijn ‘blasfemische’ omschrijving van God als een „eenjarige, muisgrijze ezel die driemaal achtereen in zijn geheime opening werd bezeten”. Het Hof oordeelde dat er, om tot een veroordeling te kunnen komen, sprake moest zijn van een ‘bedoeling om godsdienstige gevoelens te krenken’. Dat heeft de wet onbruikbaar gemaakt: intenties zijn immers even gemakkelijk te ontkennen als dat ze moeilijk te bewijzen zijn. De filosoof Paul Cliteur (1955) merkte terecht op dat de wet sindsdien slechts „museale waarde” heeft.

Toch zijn er nog genoeg redenen om de bepaling te schrappen. Ten eerste, omdat ook een onbruikbare wet, zolang deze in het wetboek staat, altijd nog aangescherpt en daarmee weer in gebruik genomen kan worden. Dat bleek bijvoorbeeld toen toenmalig minister van Justitie Donner (CDA), na de moord op Theo van Gogh in 2004, de regeling wilde aanscherpen – een wens die bovendien in 2007 nog eens werd herhaald door minister-president Jan Peter Balkenende. De reacties waren destijds furieus: Donner leek met zijn verzoek zowaar blijk van sympathie te geven voor de moordenaar Mohammed Bouyeri. Het motief van de godsdienstwaanzinnige Bouyeri om de columnist Van Gogh te vermoorden verschilt immers in essentie maar weinig van de gedachte achter de strafbaarstelling van godslastering: wie God lastert, zal boeten.

De vraag is echter nog steeds: wat betekent godslastering eigenlijk? In de praktijk blijkt het een buitengewoon dubbelzinnig begrip. Lasteren betekent kwaad van iemand spreken dat niet ‘waar’ is. Aldus doet de term vermoeden dat het gaat om onware dingen die over God worden gezegd. Nu is kwaad spreken van het ‘onkenbare’ per definitie onmogelijk. In werkelijkheid gaat het dus niet om ‘God’, maar om de bescherming van gevoelens en opvattingen van een bepaalde groep mensen. Strafbaar is „hij die zich in het openbaar (…) door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat”, vermeldt het wetsartikel. De bedoeling is om krenkingen van gelovigen te voorkomen.

In principe is met die bedoeling weinig mis. Fatsoenlijke omgangsvormen zijn altijd toe te juichen. Het probleem is niettemin dat op geen enkele manier is vast te stellen wat als ‘blasfemisch’ moet worden aangemerkt. Zoals Cliteur in zijn uitgebreide studie naar de geschiedenis van godslastering opmerkt, heeft de term nooit een „eenduidige omschrijving” of een „duidelijke ratio” gekend. Vroeger werd het aanhangen van een ‘andere God dan de juiste’ zelfs als blasfemisch beschouwd. Ook Gerard Reve bracht in zijn pleidooi voor het Hof scherp naar voren dat het volstrekt onduidelijk is wat er precies beschermd wordt door de wet. De God van de christenen? Allah? Een beeltenis? Of toch alleen de gevoelens van mensen? De beschrijving van het slachten en consumeren van een koe, zei Reve, zou in India – waar koeien heilige dieren zijn – waarschijnlijk voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn, maar hier niet veel meer opzien baren dan het ruisen van de wind.

Het fundamentelere probleem van de strafbaarstelling van godslastering is dan ook dat het rechtsongelijkheid veroorzaakt. Mensen wiens overtuigingen toevallig, door de loop van de geschiedenis, als ‘godsdienstig’ of ‘religieus’ te boek zijn komen te staan, kunnen zich wél beroepen op de wet, terwijl mensen met een wereldbeeld die niet onder de noemer van een godsdienst kan worden geschaard er géén toegang toe hebben. Zodoende lijkt het ‘godsdienstige’ wereldbeeld een streepje voor te hebben op andersoortige overtuigingen, door de mogelijkheden te tornen aan de godsdienstige overtuigingen wettelijk aan banden te leggen. Dat is strijdig met het recht op gelijke behandeling en staat bovendien op gespannen voet met de scheiding tussen kerk en staat. Cliteur: „De ruimte voor bijdragen aan het maatschappelijk debat mag in een democratie niet afhankelijk zijn van de vraag of een deelnemer aan het debat godsdienstig geïnspireerd is of niet”.

Dat de wet een dode letter is, betekent overigens niet dat er nooit meer aanspraak op wordt gemaakt. In juni van 2005 eisten de fracties van de SGP en de ChristenUnie een verbod van het RVU-programma God bestaat niet vanwege blasfemie. In diezelfde maand deed de SGP ook een voorstel om „vloeken te verbieden” in de gemeente Staphorst. Drie maanden later werd in Wageningen een jongen door een stel vrienden bij wijze van grap aan een kruis van steigerplanken getapet. De jongen zelf deed geen aangifte, maar de politie onderzocht toch „of justitie er strafbare feiten in ziet; godslastering bijvoorbeeld.” En in 2006 nog laaide er nog discussie op over het voorgestelde verbod op een concert van rockband Normaal in de gemeente Staphorst, omdat het taalgebruik van de band zou indruisen tegen de fatsoensnormen van de christelijke bevolking aldaar.

Zou een rechter hebben toegegeven aan het beroep op het verbod op blasfemie dan zou dat zuivere rechtspraak goeddeels onmogelijk hebben gemaakt. Het verbod beschermt immers het belijden van een dogma – geloof in God. En het probleem met de bescherming van een dogma is dat iedere kritiek te baat kan worden genomen voor een gang naar de rechter. Zou men evolutielastering ook acceptabel vinden? Een veroordeling op grond van godslastering zou tot gevolg hebben dat de darwinist die de kerk voor de rechter sleept vanwege het stelselmatig onderuit halen van zijn overtuigingen, ook in het gelijk zou moeten worden gesteld. Want waarom zou het darwinisme wél als ‘moraalloos’ mogen worden bestempeld – een opvatting die in sommige orthodox-christelijke gemeenschappen actief wordt uitgedragen – en God niet als tiran?

Het voorstel van minister Hirsch Ballin om de bepaling uit te breiden met „andere levensovertuigingen” zou het probleem met de wet dan ook allerminst verhelpen. Sterker nog, het zou het probleem onbeheersbaar groot maken. Immers, de bestaande rechtsongelijkheid zou alleen uit de wereld worden geholpen als alle levensovertuigingen onder het lasterartikel worden geschaard – met als gevolg dat iedere kritiek op een willekeurig wereldbeeld als ‘laster’ zou kunnen worden aangemerkt en op die manier ‘monddood’ gemaakt.

Uitbreiding van het artikel zou de vrije meningsuiting dus tot nul reduceren: iedereen zou elkaar dan kunnen aanklagen op grond van ‘gegriefdheid’ in het wereldbeeld. En dat is, naast juridisch onhoudbaar, ook nog eens nadelig voor godsdienstigen. Want, Hirsch Ballin zei het zelf al: „Iedere overtuiging is een geloof”. Zou hij het dan acceptabel vinden als het dragen van een boerkini wordt verboden omdat het een grievende uiting jegens feministen is? Of dat het dragen van een kruisje wordt verbannen als kwetsend ‘symbool’ van de doodstraf?

Met de afschaffing van de strafbaarstelling van godslastering zou dus duidelijk kunnen worden gemaakt hoe liberaal onze democratie zichzelf acht en hoe neutraal de staat zich verhoudt tegenover de talloze levensbeschouwingen die Nederland rijk is. Het zou namelijk betekenen dat alle levensvisies in beginsel als gelijkwaardig worden beschouwd en slechts in hun praktische consequenties mogen worden beoordeeld –- niet vanwege het ‘etiket’ dat ze toevallig dragen.

Dat getuigt juist van een groot respect voor ‘gelovigen’ – godsdienstig of niet.

    • Rob Wijnberg