VS kunnen rassenprobleem niet negeren

Hieronder volgen passages uit de rede van Barack Obama gisteren, waarin hij inging op radicale ideeën van ‘zijn’ ex-dominee Wright over discriminatie en rassenscheiding.

Rosa Parks (1913-2005) weigerde haar zitplaats in de bus af te staan aan een blanke medepassagier. Dit voorval in Montgomery, in de zuidelijke staat Alabama, was een mijlpaal in de emancipatie van de Afro-Amerikanen. Tekening Cyprian Koscielniak Koscielniak, Cyprian

Ik geloof niet dat ons land zich op dit moment kan veroorloven het thema ras te negeren. [...] De commentaren en de strijdpunten van de afgelopen weken weerspiegelen [..] de complexe raciale situatie in dit land, die wij nooit echt hebben opgelost [...] . En als we daar nu voor weglopen [...]zullen we nooit gezamenlijk een oplossing vinden voor uitdagingen als de gezondheidszorg of het onderwijs of de noodzaak elke Amerikaan aan een goede baan te helpen. [...]

We hoeven hier niet de geschiedenis te herhalen van het rassenonrecht in dit land. Maar we moeten wel bedenken dat een groot deel van de ongelijkheid in de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap van nu rechtstreeks is terug te voeren op de ongelijkheid die is doorgegeven door een eerdere generatie, en die weer had geleden onder de wrede erfenis van de slavernij en de rassenscheidingswetten.

Zwarte scholen waren – en zijn – inferieure scholen; [...] en het inferieure onderwijs dat ze verschaffen, toen en nu, verklaart deels de hardnekkige prestatiekloof tussen de zwarte en blanke scholieren van nu.

Wettige discriminatie – waarbij zwarten, vaak met geweld, werd belet eigendom te bezitten, of geen krediet werd verstrekt aan Afrikaans-Amerikaanse ondernemers, of zwarte huiseigenaren geen hypotheekverzekering konden afsluiten, of zwarten geen toegang hadden tot een vakbond, tot de politie of de brandweer – betekende dat zwarte families geen rijkdom van betekenis konden vergaren om aan toekomstige generaties na te laten. Die geschiedenis verklaart mede de kloof in rijkdom en inkomen tussen zwart en blank, en de concentraties van armoede zowel in de steden als op het platteland [...].

Te weinig economische kansen voor zwarte mannen, en de schaamte en frustratie over hun onvermogen om voor hun gezin te zorgen, droeg bij tot de erosie van zwarte gezinnen – een probleem dat nog weleens verergerd zou kunnen zijn door het jarenlange bijstandsbeleid. En het gebrek aan basisvoorzieningen in zoveel zwarte stadswijken – parken waar kinderen kunnen spelen, wijkagenten, een geregelde vuilophaaldienst en bouwtoezicht – het heeft allemaal bijgedragen tot een cyclus van geweld, verderf en verwaarlozing die ons blijft achtervolgen.

Dat is de werkelijkheid waarin dominee Wright en andere Afrikaans-Amerikanen van zijn generatie zijn opgegroeid. Ze werden volwassen eind jaren vijftig, begin jaren zestig, een tijd waarin segregatie nog de norm was en de kansen systematisch werden beknot. Het opmerkelijke is niet hoeveel mislukkingen de discriminatie tot gevolg had, maar veeleer hoeveel mannen en vrouwen zich desondánks opwerkten. [...]

Maar tegenover al diegenen die met kunst en vliegwerk een stukje van de Amerikaanse Droom bemachtigden, stonden de velen die het niet redden – die het uiteindelijk toch tegen de discriminatie moesten afleggen. De erfenis van deze nederlaag werd doorgegeven aan toekomstige generaties – de jongemannen en steeds meer jonge vrouwen die we op straathoeken zien staan of die wegkwijnen in onze gevangenissen, zonder hoop of vooruitzichten voor de toekomst. En ook bij zwarten die wel geslaagd zijn, blijft hun wereldbeeld wezenlijk bepaald worden door de thema’s ras en racisme. Bij de mannen en vrouwen uit de generatie van dominee Wright zijn de herinneringen aan vernedering en twijfel en angst niet verdwenen; evenmin als de woede en verbittering uit die jaren. Die woede wordt misschien niet in het openbaar geuit, tegenover blanke collega’s of blanke vrienden. Maar ze krijgt wel een stem bij de kapper of aan de keukentafel. Soms wordt die woede ook uitgebuit door politici, om stemmen te trekken langs raciale lijnen of om de eigen politieke tekortkomingen goed te maken.

En soms krijgt ze een stem op zondagochtend in de kerk, op de kansel en in de banken. Dat het zoveel mensen verbaast om in sommige preken van dominee Wright deze woede te horen, herinnert ons eenvoudig aan de oude waarheid dat de grootste segregatie in het Amerikaanse leven zich voltrekt op zondagochtend. Die woede is niet altijd productief; ze leidt immers maar al te vaak de aandacht af van een oplossing voor de echte problemen; ze weerhoudt ons van een eerlijke erkenning van onze eigen medeplichtigheid aan onze toestand, en ze belet de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap de benodigde allianties aan te gaan om echte verandering teweeg te brengen. Maar de woede is echt; ze is krachtig; en wie er gewoon niet van wil weten, wie haar veroordeelt zonder de wortels te doorgronden, draagt alleen maar bij tot een verbreding van de kloof van onbegrip die er tussen de rassen bestaat.

Eenzelfde woede bestaat overigens in delen van de blanke gemeenschap. De meeste blanke Amerikanen uit de arbeiders- en middenklasse vinden niet dat ze door hun ras nu zo bevoorrecht zijn. Hun ervaring is de ervaring van immigranten – wat hen betreft heeft niemand hun iets cadeau gedaan, ze hebben alles eigenhandig opgebouwd. Ze hebben hun hele leven hard gewerkt, om dan na een leven van ploeteren vaak ook nog hun baan naar het buitenland of hun pensioen in de goot te zien verdwijnen. Ze zijn ongerust over hun toekomst en voelen hun dromen wegglippen; in een tijd van stagnerende lonen en mondiale concurrentie worden kansen gaandeweg gezien als een nul-som-spel waarin jouw droom ten koste gaat van de mijne. Dus als ze te horen krijgen dat hun kinderen met de bus naar een school aan de andere kant van de stad moeten; als ze horen dat een Afrikaanse Amerikaan wordt bevoordeeld bij het verkrijgen van een goede baan of een plaats op een goede universiteit vanwege onrecht dat ze zelf nooit hebben begaan; als ze te horen krijgen dat hun angst voor de misdaad in bepaalde stadswijken eigenlijk een vooroordeel is, dan leidt dit gaandeweg tot wrok.

Net als de woede in de zwarte gemeenschap wordt deze wrok in beleefd gezelschap niet altijd geuit. Maar het politieke landschap is er minstens een generatie lang mede door gevormd. [...]

En zoals de zwarte woede vaak averechts bleek te werken, heeft ook deze blanke wrok de aandacht afgeleid van de echte schuldigen aan de verdrukking van de middenklasse – een bedrijfscultuur die bol staat van de handel met voorkennis, dubieuze boekhoudpraktijken en kortetermijn-hebzucht; een Washington dat wordt beheerst door lobbyisten en belangengroepen; een economisch beleid dat een kleine groep bevoordeelt. Wie niet wil weten van de wrok van blanke Amerikanen, wie hen wil wegzetten als kortzichtig of zelfs racistisch, zonder te erkennen dat hun wrok uit legitieme zorgen voortkomt – verbreedt ook de kloof tussen de rassen en blokkeert de weg naar begrip.

Dit is waar we verzeild in zijn geraakt: een raciale impasse, die al jaren voortduurt. (Ik ben) nooit zo naïef geweest om te geloven dat we onze raciale verschillen achter ons kunnen laten in één verkiezingsronde, of met één enkele kandidatuur. [...] .Maar ik heb wel getuigenis afgelegd van mijn sterke overtuiging [...] dat we door samen te werken een paar oude raciale wonden kunnen helen. [...]

Voor de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap houdt dat in dat we de lasten van ons verleden moeten omhelzen zonder slachtoffers van dat verleden te worden. [...] En het betekent dat we de volledige verantwoordelijkheid op ons moeten nemen voor onze eigen levens – door méér van onze vaders te vragen, en meer tijd met onze kinderen door te brengen, en ze voor te lezen, en ze te leren dat ze – ook al kunnen ze ook in hun eigen leven op uitdagingen en discriminatie stuiten – nooit mogen toegeven aan wanhoop of cynisme; ze moeten altijd blijven geloven dat ze hun eigen lot in handen hebben.

Lees de volledige tekst en reacties via nrc.nl/race08, het weblog van correspondent Tom-Jan Meeus