Succes in Roemenië

Middenin de miserabele grap waaraan het leven mij momenteel onderwerpt, werd ik big in Romania. Mijn debuut, Dormi! in het Roemeens, viel in de smaak bij de redactie van de krant Cotidianul, die het opnam in een goedkope reeks met buitenlandse auteurs. Dergelijke reeksen en indelingen slaan aan in een land waar de boekenprijs niet spoort met het gemiddelde inkomen en waar boekhandels schaars zijn. Veertigduizend stuks werden deze week via krantenkiosken verdeeld en ik werd van universiteit naar televisiestudio gesleurd. In een praatprogramma werd mij onder andere gevraagd of ik al eens oesters gegeten had en zo ja, of die beesten dan bleven leven in mijn keel. Ik heb zo geruststellend mogelijk geklonken. Een prettige, doch eigenaardige ervaring ook om ’s ochtends acht mensen in een metro in Boekarest je boek te zien lezen. En geef haar nu maar wat succes van het bevreemdende soort, zo dacht God. Zijn wegen worden steeds ondoorgrondelijker.

Weinig mensen zijn bij mij zo in de smaak gevallen als professor Gheorghe Nicolaescu, mijn Roemeense vertaler die ik de afgelopen jaren al enkele keren in België ontmoette. Toen de Belgische ambassadeur hem tijdens een diner vroeg of hij dan niet dacht dat Roemenië er over twintig jaar bovenop zou zijn, antwoordde professor Nicolaescu – die voorheen op een tweehonderdtal jaar had gegokt: „Het kan ook eenentwintig jaar zijn.” Het was vrij lang geleden dat ik had gelachen. Niemand zei iets over de saus die ik daarbij met mijn vork naar het servet van de ambassadeur katapulteerde.

Als het mogelijk is zich een indruk te vormen van een volk nadat men er vier dagen door is omarmd, dan zou ik de Roemenen ‘opener dan verwacht’ noemen. Terwijl ik in het Hongaarse Debrecen terecht werd gewaarschuwd voor de zwijgzame pokergezichten van de studenten, werden er in Boekarest enthousiast vragen afgevuurd en klonk er gelach. De mate waarin het communistische verleden nog zichtbaar is in het gedrag van hedendaagse Oost-Europeanen, wordt door de westerse fantasie allicht te eenzijdig ingevuld. Ook de behandeling van de Roma door de Roemenen komt veel te negatief in de West-Europese pers, zo fulmineerde een redactrice van de krant, al wilde ze niet ingaan op de achtergronden van het probleem. Toen ik de Roemeense mentaliteit ‘enigszins Mediterraans’ noemde, werd er gedreven geknikt. Ik voelde me vooral welkom, een indruk die niet elke Roemeen, of Roma, in België te beurt zou vallen.

Zoals op veel plaatsen in Oost-Europa, heeft het kapitalisme zich in Boekarest niet altijd aangediend op de meest subtiele, esthetisch verantwoorde wijze. En je begrijpt waarom Ceausescu’s megalomane bouwsel nog pijn doet aan de ogen. Veel Roemenen die ik ontmoette, schenen de lange weg waarover ze spraken persoonlijk hardlopend te willen afleggen. Zij werken naar eigen zeggen circa achttien uur per dag.

Dat het insomnia-thema van mijn eerste boek hier wel gehoor kon vinden, werd me steeds duidelijker. Mijn uitgeefster had er net twee slapeloze nachten op zitten, de hoofdredacteur van de krant komt rond met drie uur rust, professor Nicolaescu slaapt nooit langer dan vijf uur en een interviewster zei van kindsbeen af aan een slaapstoornis te lijden waarbij zij nooit minder dan twintig uur per vierentwintig wakker is.

Ergens in Transsylvanië is een gezin ontdekt dat al elf jaar niet meer slaapt, vertelde men mij. Dat laatste wil ik met een korrel zout nemen, maar over mijn eigen doorwaakte nachten durfde ik niet meer te klagen.