’s Zondags zegt de minister een verdrag op

De regering zegde zondag een deel van een internationaal verdrag op. Tot verontwaardiging van Eerste Kamer, die opnieuw niet geraadpleegd is.

Verbolgen was de Eerste Kamer, maar op haar eigen, rustige wijze. Weer had de regering een internationaal verdrag opgezegd zonder de senatoren te raadplegen. Terwijl bij de laatste gelegenheid, in 2001, toenmalig staatssecretaris Vermeend (Financiën, PvdA) nog had beloofd dat zoiets niet meer zou gebeuren.

Gisteren riep de Eerste Kamer de verantwoordelijke ministers Donner (Sociale Zaken, CDA) en Klink (Volksgezondheid, CDA) op het matje: de laatste beloofde opnieuw beterschap. Het gaat ditmaal om een wetsvoorstel voor opzegging van een deel van een Europees verdrag over sociale zekerheid. Dat bepaalt dat mensen die lijden aan een beroepsziekte geen eigen bijdrage betalen. Dat is onverenigbaar met het Nederlandse sociale stelsel, waarin het niet uitmaakt of je van een bouwsteiger of keukentrap valt.

De kwestie is relevant sinds de Centrale Raad van Beroep in 2006 op basis van dat Europese Verdrag bepaalde dat de staat 180.000 euro premie plus rente moest terugbetalen aan een werknemer van Verolme die vijftien jaar eerder een beroepsongeval kreeg en sindsdien wordt verpleegd. Die uitspraak kan de staat 70 miljoen euro per jaar kosten, schat de regering, dus moet het verdrag op dat punt worden opgezegd.

In de Tweede Kamer stemde de PvdA daarmee pas onlangs in na een intensief debat. Zo intensief dat de Eerste Kamer er niet meer aan te pas kwam. Donderdag was de Tweede Kamer eruit, de uiterste termijn om het verdrag op te zeggen was zondag, dinsdag vergaderde de Eerste Kamer pas weer. Dus zegde de regering het verdrag zondag op, op basis van een wetsvoorstel dat niet rechtsgeldig is. Die gang van zaken kan de regering niet op het dralen van de Tweede Kamer afschuiven, vinden de senatoren.

De berouwvolle minister Donner kwalificeerde de situatie gisteren als „niet ongrondwettig, maar ook niet grondwettig”, en ook collega Klink ging door het stof. Nadat de excuses waren geaccepteerd, beklemtoonde Donner dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel alsnog moet bespreken én goedkeuren. Zo niet, dan is de opzegging niet rechtsgeldig en moet het Nederlandse sociale stelsel binnen een jaar worden omgebouwd.

Senator Rosenthal (VVD) meent dat de opwinding onder zijn collega’s samenhangt met andere gevallen waar senatoren weinig tijd krijgen zich over een wetsvoorstel te buigen. Hij noemt het Belastingplan 2008, maar ook minister Hirsch Ballin (Justitie) die een debat over kansspelen op internet op het laatste moment afzegt.

Zo’n gevoel genegeerd te worden kan een bewindspersoon opbreken, al zijn de gevolgen zelden fataal. Zo wilde in 2001 het toenmalige paarse kabinet een eind maken aan de verplichte zondagsrust voor kantoorpersoneel, waarvoor staatssecretaris Vermeend op eigen houtje een internationaal verdrag over werktijden opzegde. In de Eerste Kamer staakten de stemmen over die ‘opzeggingswet’, waarna Vermeend een deadline liet passeren om de opzegging ongedaan te maken. De D66-senatoren waren dermate ontstemd dat zij zich bij de oppositie aansloten. Vermeend kreeg een veroordeling wegens ‘onjuiste handelswijze’, en staatsrechtelijk gezien wordt het in Nederland tot 2011, wanneer Nederland het verdrag weer kan opzeggen, slechts gedoogd dat kantoorpersoneel op zondag werkt.