Kluizenaar op een boekenberg

Boudewijn Büch raakte verstrikt in het web van zijn eigen verzinsels. Een documentaire over zijn leven, vanavond op tv, is bepaald geen eerbetoon.

Boudewijn Büch in de woestijn nabij Las Vegas, mei 1996. Foto Hollandse Hoogte, C. Barton van Flymen Verenigde Staten, Las Vegas, mei 1996 Boudewijn Buch Foto: C. Barton van Flymen/Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

Boudewijn was scheppende terwijl hij vertelde over zijn leven, zegt Adriaan van Dis in de film die Coen Verbraak maakte over Boudewijn Maria Ignatius Büch (1949-2002). De typering van Van Dis geeft de tragiek van de schrijver en tv-maker Büch goed weer. Hij creëerde zijn eigen biografie, om die in fictie om te zetten.

Een ingewikkeld creatief proces, dat soms hartstochtelijke literatuur opleverde, maar waar zijn directe omgeving vaak ook onder moest lijden. Büch hield er hevige vriendschappen op na, die even bruusk ophielden als ze begonnen waren. Nu weten die vrienden waarom: hij sloeg op de vlucht zodra hij ontmaskerd dreigde te worden.

In Boudewijn Büch – de dichter, de dodo en het demasqué vertelt Verbraak overigens niets nieuws. Eerder schreef Rudie Kagie een demystificatie van Büch en schetsten ook Frans Mouws en Harry G.M. Prick een ontluisterend beeld. Blijkbaar appelleert het ontmaskeren van een fantast aan een zekere sensatiezucht. En zoals in het sprookje van de kledingloze keizer wordt het volk niet graag bij de neus genomen. In de film wordt Büch dan ook niet altijd in even fraaie bewoordingen neergezet. Goed, je kon enorm met hem lachen, hij was inspirerend en absorbeerde en ventileerde een enorme hoeveelheid kennis.

Maar al snel komt in de film het demasqué op gang. Büch vertelde aan ieder die het maar horen wilde dat zijn Duitse vader in de Tweede Wereldoorlog als vliegenier zijn eigen stad moest bombarderen en later zelfmoord pleegde. Niets van waar. De miljoenenerfenis die zijn vader naliet: ook niets van waar. Büch gaf zich in Leiden uit voor een in twee vakken afgestudeerde doctorandus, zoals ‘farmacohistoricus’, en liet dat ook op briefpapier drukken. Toen al verzamelde hij op grote schaal boeken, maar de rekeningen bleven onbetaald. Na zijn faillissement lapte een aantal vrienden maandelijks een vast bedrag, opdat Büch in zijn levensonderhoud kon voorzien.

In Het Dolhuis beschrijft Büch een katholiek krankzinnigengesticht, waar hij als kind een jaar zou hebben verbleven. In interviews bekrachtigde hij de authenticiteit van dit verslag. In werkelijkheid verbleef Büch vijf weken in een vakantiekolonie.

Het meest tergende relaas is dat van Büchs ‘zoontje’, dat voor het boek en de gelijknamige film De kleine blonde dood model stond. De schrijver betrok zijn beste vrienden bij zijn verdriet over diens nakende dood. Het jongetje was in werkelijkheid niet alleen Büchs zoontje niet, hij was ook niet overleden. Ook de pedo- dan wel homoseksualiteit waarmee Büch koketteerde, zo blijkt in de film, berust op fantasie. In de documentaire komen enkele ex-vriendinnen aan het woord. Bij Büchs belezenheid worden eveneens vraagtekens geplaatst: hij was dan wel bibliofiel, maar een échte Goethekenner? Het proza en de poëzie van Büch worden in de film door de schrijvers Van Dis, Komrij en ’t Hart genadeloos gemarginaliseerd. En Büchs televisiefaam berustte evenmin op iets. Komrij: „Je kan beroemd op de televisie worden zonder iets te kunnen.”

Boudewijn Büch maakte een kunstwerk van zijn leven, luidt de conclusie van deze film, maar was in werkelijkheid diep ongelukkig. Verscheidene vrienden en vriendinnen noemen zijn eenzaamheid, die nog eens extra schrijnend werd door de oorzaak daarvan: hij was verstrikt geraakt in het web van zijn eigen fantasieën. Büch veroorzaakte conflicten met ieder die te dicht bij kwam en werd een kluizenaar op zijn verzamelde boekenberg.

Toen na dertien jaar zijn reisprogramma bij de VARA stopte, was het isolement compleet. Hij vertoonde zich alleen nog aan de buitenwereld in het programma Barend en Van Dorp. In de film zien we hem er met zijn handschoentjes aan een oud boek aanprijzen. Drie dagen later stierf hij, lezend in Krankheit und Wirkung van Friedrich Nietzsche.

Boudewijn Büch – de dichter, de dodo en het demasqué is niet bepaald een eerbetoon van de VARA aan haar jong gestorven coryfee. Dat hoeft ook niet, in de opzet die in de titel ligt besloten is Verbraak uitstekend geslaagd. Deze ontmaskering heeft wel tot gevolg dat een eenzijdig beeld wordt geschetst van een man die waarachtig wel meer was dan een aartsleugenaar. De nadruk ligt sterk op de mensen die bedrogen zijn en daar niet altijd zonder wrok op terugblikken. Naar een verklaring voor Büchs dwangmatig fictionaliseren wordt niet eens gezocht. Er ontbreken bovendien enkele sleutelfiguren, die zich nog altijd liefdevol over Büch uitlaten.

De film laat een fragment zien uit een interview met Theo van Gogh, die Büch expliciet vraagt naar het waarheidsgehalte van De kleine blonde dood. We zien Büch nerveus verbale omtrekkende bewegingen maken. Met de keuze van dit fragment suggereert de maker dat Van Gogh op dat moment Büch lelijk in het nauw bracht. Het vervolg, dat Verbraak niet toont, staat te lezen in Van Goghs bundel Een prettig gesprek. Büch: „Ik zou het een buitengewoon groot compliment hebben gevonden als mensen hadden gezegd: Dat iemand zo’n prachtig boek kan verzinnen! Maar nee, omdat je van de tv bent, moet er ook een werkelijkheid achterzitten”. Een mooi voorbeeld van het spel dat Büch met de werkelijkheid speelde. Dat hoorde blijkbaar in dit demasqué niet thuis.

Boudewijn Büch – de dichter, de dodo en het demasqué, Ned. 2, 22.55-23.50u

    • Tom Rooduijn