Een buffertje voor calamiteiten

De Tweede Kamer praat morgen over de financiële huishouding van basis- en middelbare scholen. Potten ze te veel op? Zijn hun beleggingen riskant?

Een schoolbestuur belegt 40 miljoen euro. Is dat veel?

Het is maar hoe je het bekijkt. Voor een klein bestuur met één schooltje zou het een exorbitant bedrag zijn. Voor een bestuur in het voortgezet onderwijs met twaalf onderwijsinstellingen, 54 locaties, 4.200 medewerkers, 35.000 leerlingen en 236 miljoen euro aan baten is het een heel ander verhaal. De in het Overijsselse Hengelo gevestigde Stichting Carmelcollege, waar deze cijfers op van toepassing zijn, zegt het allemaal te kunnen uitleggen.

Waarom beleggen scholen? Controller Karel van der Velden van Carmel noemt drie redenen. „Om de financiële risico’s van bijvoorbeeld ziektes en arbeidsongeschiktheid te kunnen dragen. Om te sparen voor de financiering van geplande investeringen, bijvoorbeeld in een nieuw schoolgebouw of in computers. En als buffer voor tegenvallers in de exploitatie.” Sinds 1996, zegt Van der Velden, zijn scholen wettelijk verplicht die risico’s te kunnen dragen. „Groot onderhoud en incidentele zaken als asbestverwijdering kunnen we niet opvangen uit de lopende begroting. Daar moet je geld voor opzij zetten.”

Ook de onderwijskundige visie kan een rol spelen, zegt zijn collega Michiel Keuper van het managementteam van het bestuursbureau van Carmel. „Het ministerie betaalt voor ons alleen een kaal schoolgebouw. Wij willen het iets beter hebben, omdat dat meer past bij hoe wij het onderwijs willen inrichten. Zo komt het dus ten goede aan het lesgeven.”

De beleggingen van de Stichting Carmelcollege, obligaties die eind 2006 op de balans stonden voor 39,3 miljoen euro, worden elk jaar aangepast aan de marktwaarde als deze lager is dan het bedrag waarvoor de obligatie is aangekocht. Dat betekent dat een obligatie aan het eind van een jaar wat meer of minder waard kan zijn geworden. Op 31 december 2006 moest Carmel voor meer dan 1,6 miljoen euro afwaarderen op de effecten. Daar stond ruim 1,4 miljoen euro tegenover aan obligaties die juist meer waard waren geworden. Negatief saldo: twee ton.

Dit leidt niet tot een feitelijk verlies, zegt controller Van der Velden, omdat de obligaties aan het eind van de looptijd altijd tegen hun nominale waarde worden afgelost. „Bovendien staat tegenover dit tijdelijke verlies een hoog rendement, dat je bijvoorbeeld met een depositorekening nooit had kunnen realiseren.”

Het beleggen door scholen wordt, samen met het vermeende oppotgedrag, periodiek aan de kaak gesteld door de Algemene Onderwijsbond (AOb). Het basis- en voortgezet onderwijs bezaten in 2006 samen 4 miljard euro aan eigen vermogen. De AOb vindt dat scholen meer geld aan lesgeven zouden moeten besteden.

De SP deelt die zorgen. Kamerlid Jasper van Dijk: „Ik erken dat scholen reserves nodig hebben, maar ik wil dat er een strakke grens komt.” Zijn collega Jan Jacob van Dijk (CDA) vindt daarentegen dat de AOb aan „onruststokerij” doet. „Daar kan ik me geweldig nijdig om maken. De AOb verkoopt lariekoek door te stellen dat die miljarden niet naar lesgeven gaan. Scholen hebben een buffertje nodig voor calamiteiten.”

Sinds scholen op financieel terrein meer autonomie hebben gekregen, reageert Robert Sikkes namens de AOb, is er eigenlijk niemand die nog echt zicht heeft op wat er met het geld van de belastingbetaler gebeurt. „Wat wij in onze onderzoeken laten zien is dat de reserves jaar in jaar uit alleen maar groter worden. Het verbaast mij dat een Kamerlid, dat namens ons toezicht houdt op de besteding van publiek geld, zich daar niet méér zorgen over maakt.”

Op 3 april maakt de AOb alle financiële gegevens van de schoolbesturen in alle onderwijssectoren openbaar. Sikkes: „Doel daarvan is dat medezeggenschapsraden kritische vragen gaan stellen.”

Dat scholen kort na de financiële autonomie van 1996 een hoog eigen vermogen hadden, noemt controller Van der Velden van de Stichting Carmelcollege „begrijpelijk”. „In de eerste jaren hebben we niet alles uitgegeven, want wie weet wat er gebeurt. Daardoor hebben we toen eigen vermogen opgebouwd. Dat beleid kwam voort uit voorzichtigheid en een gering inzicht in de financiële risico’s, die het ministerie van Onderwijs tot dan toe droeg.”

Tien jaar verder kan het schoolbestuur beter inschatten wat een redelijke buffer is, zegt Van der Velden. Bij de Stichting Carmelcollege is het eigen vermogen sinds 2004 met 10 procent gedaald. Van het ministerie mag het eigen vermogen van scholen 10 tot 40 procent van de totale baten bedragen. Carmel zit op 25 procent, netjes binnen de grenzen. Van der Velden: „Hoe zorgen we ervoor dat we niet failliet gaan? Die vraag bepaalt de hoogte van de buffer die we nodig hebben. Als we 10 miljoen euro overhebben, investeren we dat onmiddellijk in het onderwijs. Ons doel is om in de exploitatie jaarlijks quitte te draaien.”

    • Derk Walters