Woonruimte

De slager waar ik altijd mijn biefstuk ga halen, ziet er de laatste weken nogal bedrukt uit. Het verbaasde me dan ook niet helemaal toen ik onlangs op zijn toonbank een bordje aantrof met de tekst: „De slager zoekt (tijdelijke) woonruimte.”

De eerste keer dat ik het zag, durfde ik er nog niet over te beginnen, maar een week later kon ik niet langer weerstand bieden aan mijn nieuwsgierigheid. Natuurlijk, er hoefde niets bijzonders aan de hand te zijn. Misschien was er brand in zijn huis geweest en kon hij voorlopig niet terugkeren. Hij had me wel eens verteld dat hij met vrouw en kind een paar straten verderop in een oud pandje woonde.

Maar het kon ook dat er onder zijn dak een figuurlijke brand was ontstaan, die zijn relatie in de as gelegd had. Dat komt zelfs in de beste slagerskringen voor.

Mijn slager is wat je noemt een kleine slager, een eenmansbedrijfje met af en toe een vage, bloedbevlekte knecht op de achtergrond. Gisteren was die knecht afwezig en omdat er ook geen andere klanten stonden, zag ik mijn kans schoon om schaamteloos te vragen: „Is dat bordje voor uzelf bedoeld?”

Hij knikte kort. „Helaas wel. Hoeveel moet het zijn?”

„Anderhalf ons, dat is toch wel genoeg voor één persoon?”

„Nou, méér gaat er ook wel in.”

„Zo is het goed.”

Hij zuchtte. „Het is heel vervelend dat mij dit moet overkomen, maar ik ben de enige niet. Kogel of van de haas?”

„Kogel graag.”

Hij pakte een stuk vlees, legde het voor zich en zei: „Het ging al een tijdje slecht. Het vertrouwen was weg. En als het vertrouwen weg is, dan komt het niet meer goed. Een dik stuk of moet-ie plat?”

„Doe maar dik.”

Hij begon te snijden. „Eerst denk je: dat gaat vanzelf wel over. Er is overal wel eens wát. Niet dan?”

Ik knikte als een echte ervaringsdeskundige.

„Maar dan merk je opeens dat er veel meer loos is. We zouden op mijn vrije dag boodschappen gaan doen in Noord. Ik zeg tegen haar: gek, maar ik heb er vanmiddag toevallig even geen zin in. Toen zegt zij, flap in mijn gezicht: ik heb er al twee jaar geen zin meer in.”

Op dat moment stak een vrouw haar hoofd om de hoek van de deur en riep: „Slager, heeft u vandaag nog verse erwtensoep?”

„Morgen weer, mevrouw. Nu alleen bruine bonen.”

En weg was mevrouw.

„Twee weken later was ze er met mijn beste vriend vandoor”, zei de slager. „Mijn beste vriend. Dat is misschien nog het ergste. Een vrouw vind ik wel weer, maar zó’n goeie vriend… Is het geen mooi stukje?”

Ik deed alsof ik met een kennersblik het lapje vlees inspecteerde dat hij naar me ophield – en knikte.

„Mijn dochtertje zie ik nu om het weekend”, zei hij. „Ik woon bij een kennis, maar daar kan ik niet blijven. Elke tip is welkom. Had u anders nog iets willen hebben?”

Ik schudde het hoofd en rekende af. „Als ik wat hoor, kom ik even langs”, beloofde ik.

Hij knikte gelaten, als iemand die beseft dat betaalbare woningen in Amsterdam nog schaarser zijn dan vrouwen en vrienden.

    • Frits Abrahams