‘Voor EK’s ben ik niet meer onzeker’

Inge Dekker behoort tot de wereldzwemtop. Maar zij stond altijd doodsangsten uit als ze een finale moest zwemmen. Nu heeft ze haar gedachten onder controle.

Inge Dekker vanochtend na de series op de 50 meter vlinder, waarin ze de snelste was. Foto Bas Czerwinski 18-03-2008, EINDHOVEN. INGE DEKKER NA HAAR HEAT OP DE 50M VLINDER. FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinski, Bas

Misselijk werd Inge Dekker ervan, alleen al van de gedachte. Fysiek onpasselijk. Omdat ze die avond een finale moest zwemmen. Zwemmen, de grootste passie van de geboren Drentse, werd voor één dag een donkere tunnel waaraan maar geen einde kwam. Het ene na de andere rampscenario voltrok zich in haar hoofd. „Dan beeldde ik me in dat ik heel zenuwachtig was, dat ik al achter lag”, zegt Dekker, die deze week tijdens de EK langebaan (50 meter) haar Europese titel op de 100 meter vlinderslag verdedigt.

Talent, kracht en werklust waren nooit het probleem voor de 22-jarige vlinderslagspecialiste. Maar die zenuwen, altijd maar die angst dat het mis zou gaan in de finale. „Voor mij was dat normaal, maar het is natuurlijk niet de bedoeling”, zegt Dekker. Zij kan het weten: ze studeert zelf psychologie. Ze noemt zichzelf geen zwaar geval, maar negatieve gedachten horen niet bij een topsporter. Als juniore voelde de wandeling naar het startblok al aan als de gang naar de galg.

In Eindhoven, waar ze dagelijks onder kampioenenmaker Jacco Verhaeren traint, met Marleen Veldhuis en Pieter van den Hoogenband, ziet ze vooral bewonderend toe hoe die laatste zich voorbereidt op grote wedstrijden. „Pieter vindt het heerlijk om finales te zwemmen. Prachtig om te zien. Ik heb het er wel met hem over gehad, vooral over de olympische finale in Athene in 2004. Niemand geloofde dat hij ging winnen. Hij lag halverwege bijna een seconde achter. En toch is hij zo sterk dat hij kan winnen. Ook hij is zenuwachtig voor een finale. Iedereen is dat, zelfs Michael Phelps. Maar het gaat er maar net om wat je ermee doet. Je zet het om in iets goeds, of je verdrinkt in de zenuwen.”

Dat laatste gold meestal voor Dekker. „Pieter kan wel zeggen dat ik positief moet zijn, maar je moet er zelf wel in geloven.” Ze hield zichzelf gevangen in haar eigen denkpatronen. „Ik wist ook wel dat ik ervan af moest, maar wist niet hoe. Ik dacht: je moet gewoon niet meer aan de finale denken. Maar als je ergens niet aan moet denken, ga je er juist aan denken.”

Bij sommige sporters wordt de negatieve denkspiraal doorbroken als het startschot eenmaal heeft geklonken – niet bij Inge Dekker. „Tijdens de race was ik altijd met de tegenstandsters bezig. Op het keerpunt kon ik onder water die andere zwemsters zien. Dan dacht ik: o jee, ik lig achter, of: ik lig niet genoeg voor.” Zelfs medailles winnen helpt niet, bij Inge Dekker, die als startzwemster met de estafetteploeg wereldrecords zwom. „Als je wint word je weer bang dat het de volgende keer niet meer lukt.”

Voor een zwemster die zich op deze manier door de wereld van de topsport lijkt te worstelen, zijn haar prestaties des te imposanter. Als enige Nederlandse kwalificeerde Dekker zich voor zeven nummers op de Spelen van Peking, de 50, 100 en 200 meter vrije slag en de 100 meter vlinder, en drie estafettenummers.

Nog altijd kan zij zich volgens kenners ontwikkelen tot een waren ‘Inge II’, de opvolgster van Inge de Bruijn, wereldrecordhoudster op de 100 vlinder en de 50 vrij. Want ondanks haar ‘probleem’ behoort Dekker op de vlinderslag tot de absolute wereldtop. Vorig jaar werd ze op de WK in Melbourne vierde op de 100 meter vlinder en haalde ze brons op de 50 meter. Op de vrije slag zit ze niet ver achter haar trainingsmaatje in Eindhoven, Marleen Veldhuis, een van de snelste sprintsters ter wereld.

En ondanks alle twijfels is Dekker ook deze week, tijdens de EK in Eindhoven, de grote favoriet voor de titel op de 100 vlinder, die ze twee jaar geleden voor het eerst won. Vanochtend kwam ze in de series op de 50 vlinder weer een stukje dichter bij het Nederlandse record (25,64) van De Bruijn. Dekker was met 25,89 veruit de snelste in de series.

Het merkwaardige fenomeen doet zich voor dat Dekker bij de gewone races in de series of in de halve finales nergens last van heeft. „Ik keek altijd uit naar een zwemtoernooi, zolang ik maar niet aan de finale dacht.” Maar een ideale race zwemmen is niet makkelijk voor iemand die door de zenuwen vergeet wat ze moet doen. Tegen de opdrachten van haar coach in vertrok ze op de loodzware 100 meter vlinder vaak als een razende, en moest dat in het tweede deel vaak bekopen met een nederlaag. Dekker: „Je moet in het eerste deel niet te veel energie verspillen, want je moet ook nog terug. Ik had vaak een te hoge slagfrequentie, zwom te wild, vergat mijn techniek een beetje.”

Naarmate het patroon zich herhaalde werd Dekker steeds vaker gevraagd naar haar ‘finalesyndroom’ – wat het probleem alleen maar verergerde. „Vooral als ik slecht gezwommen had vond ik het vervelend om met journalisten te spreken. Dan dacht ik: daar heb je ze weer. Ik vond het al niet leuk dat ik slecht had gezwommen en te constateren dat het kwam omdat ik te zenuwachtig was geweest. Dan moest ik het ook nog eens gaan uitleggen aan de journalisten, die vervolgens weer niet zulke leuke stukjes schreven. Ze zullen er nog wel even over doorvragen.”

Inmiddels heeft de zwemster uit Eindhoven het gevoel dat ze het lek boven heeft. Een jaar geleden, na ‘Melbourne’, zette ze de stap die haar een stuk dichter bij haar droom, een gouden medaille op de Olympische Spelen in Peking, moet brengen. Ze zocht hulp bij sportpsycholoog Wim Keizer, die tal van sporters afhielp van zware of minder zware mentale blokkades die voortkomen uit spanningen bij het vak topsport.

Toch aarzelde Dekker lange tijd om hulp te zoeken, en dat had volgens haar niets te maken met het feit dat ze zelf psychologie studeerde. „Ik heb lang gedacht: ik leer het vanzelf wel, die finales zwemmen. Maar vorig jaar dacht ik ineens: het is wel een olympisch jaar, dus het zou jammer zijn als ik het een jaartje te laat zou leren. Ik kan alle hulp gebruiken.”

Dekker praat nu om de twee of drie maanden met haar mentor – vooral over het zwemmen van finales. „Het bevalt heel erg goed”, zegt ze. Ze leerde dat ze zich niet de hele dag moest afsluiten, in voorbereiding op de finale. Niet telkens weer de film afspelen van een race die nog moest komen. „Ik moet me concentreren op de race, en me houden aan de opdrachten. Verder kijk ik wel wat de rest doet. Ik kan alleen mijn eigen prestatie beïnvloeden, niet die van de andere zwemsters. Ik ben wel benieuwd hoe hard ze zwemmen, maar ik ben er vlak voor de race niet meer mee bezig.”

Verhaeren liet zijn pupil daarnaast veel aan wedstrijden meedoen, om zoveel mogelijk ervaring op te doen. Op de EK kortebaan in Hongarije, afgelopen december, merkte ze dat de lessen van Keizer hielpen. Ondanks de druk van de favoriet werd ze ‘gewoon’ Europees kampioen op de 100 vlinder. „Ik was voor het eerst niet heel onzeker. Ik ben dat op de EK in Eindhoven ook niet meer. De Spelen zijn weer wat anders. Daar moet ik het nog wel een paar keer over hebben met Wim Keizer.”

Roepen dat ze de beste van de wereld is, zal Inge Dekker nooit doen. Maar haar grootste angsten denkt ze onder controle te hebben, in elk geval voor evenementen als de EK in Eindhoven. „De Spelen zijn wel weer wat anders. Daar moet ik het nog wel een paar keer over hebben met Wim Kezier. Daar wil ik goed op voorbereid zijn.”

Wat de lessen vooral opleverden is dat Dekker rustiger is geworden in haar hoofd. „Ik ga meer gecontroleerd van start.” Bovendien plukt ze de vruchten van het werken met Jacco Verhaeren, die haar leerde haar races te plannen. „Twee jaar geleden deed ik maar wat. Dan zwom ik ’s ochtends een goede serie, maar wilde in de halve finale nog harder. Dat ging weer wat minder, dus dacht ik in de finale: ik ga weer eens wat anders doen. Dat moet je niet op dat moment nog bedenken. Daar moet je het hele jaar op getraind hebben. Ik kan het nu wel dromen hoe ik moet racen. Het voelt ook beter als je het laatste stuk van je race niet helemaal doodgaat.”