Slechts bij vlagen bescheiden

Serieus, openhartig en soms fel was de correspondentie tussen Hermans en Reve.

Eigenlijk vonden ze alleen elkaar de moeite waard.

Gerard Reve Foto Klaas Koppe 1998-05-18 Frankrijk Geheim Landgoed Gerard Reve met aangelopen katholieke kater Koppe, Klaas

Begin 1950 overwogen Willem Frederik Hermans en Gerard Reve samen een roman te schrijven. Een uitgesproken slecht idee, dat begrepen de vrienden zelf ook wel. ‘Het gaat erom niet iets flodderigs te maken zoals Marsman en Vestdijk’, formuleerde Reve het grootste gevaar van het plan. In zijn antwoord noemde Hermans het idee ‘heel goed en levenskrachtig’, maar hij suggereerde in één moeite door een vorm die elke denkbare vaart uit het project haalde: ‘We kunnen ook het hele verhaal niet schrijven, maar geregeld over het onderwerp corresponderen. De brieven kunnen we dan later bundelen, bijwerken en uitgeven. Dat is misschien nog wel zo origineel (ook om het publiek een kijkje te geven op het cynisme waarmee schrijvers hun zaakjes verzinnen).’ Waarna het onderwerp even snel uit de correspondentie verdween als het erin was opgedoken.

Bijna zestig jaar later is het er dan, het boek van Hermans (1921-1995) en Reve (1923-2006). Een roman is het niet geworden, ook geen brieven over een roman, maar ‘gewoon’ de hele correspondentie tussen de twee schrijvers: van Hermans’ brief over De avonden van 19 september 1947 tot de laatste, van Reve, die werd geschreven op 17 juli 1987.

En het boek is een feest.

De meeste brieven in Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel zijn uitstekend geschreven, waarbij de lange zinnen van Reve een aangename afwisseling vormen met het vaak droogkomische staccato van Hermans. Maar de stijl is niet het belangrijkste. Dat is het mooie beeld dat de bundel – de meeste brieven dateren uit de jaren veertig en vijftig – geeft van twee jonge schrijvers. Beiden beschouwen de ander als de enige Nederlandse auteur die de moeite waard is. Ze bevinden zich in een vergelijkbare fase van hun loopbaan: hun talent is onomstreden, hun wereldbeeld controversieel en hun toekomst ongewis. In de Nederlandse letteren voelen ze zich niet thuis, ze zoeken literaire steun bij elkaar. Waarbij uit de brieven vaak ook enige verwondering over het karakter van de ander spreekt.

Een van hun weinige medestanders, hun uitgever Geert van Oorschot, is een man die zij op zijn best half vertrouwen. Zoals Hermans in 1951 schrijft: ‘Hij is een man die ik hogelijk zou waarderen, liefhebben, in vertrouwen nemen enz., wanneer ik er zeker van was dat zijn kleine fouten geen grote fouten verborgen.’ Beiden zouden later met Van Oorschot in onmin raken, al zou Reve zich ook weer met hem verzoenen.

Reve en Hermans voorzien elkaars werk van commentaar, proberen te formuleren hoe ze hun eigen positie in de letteren zien, bespreken collega’s, roddelen en houden elkaar op de hoogte van het welvaren van echtgenotes, uitgevers, katten en Hermans’ zoon Rupert. Vooral Hermans schrijft vaak over zijn onzekerheden en gevoeligheden, zonder overigens veel in detail te treden. In de uitgave zijn ook brieven van Hanny Michaelis opgenomen, die tussen 1948 en 1959 Reves echtgenote was.

De al genoemde eerste brief over De avonden is karakteristiek. Hermans schrijft veel aardigs en waars over Reves roman (‘Het boek is buitengewoon eentonig, maar ik heb mij geen ogenblik verveeld’) maar wanneer hij kritiek geeft, neemt die prompt tweederde van de brief in beslag. Hermans vindt dat het boek sterker was geweest als Frits van Egters zijn milieu had proberen te ontvluchten; nu lijkt het allemaal aan hemzelf te liggen. ‘De lezer krijgt daardoor het idee zich beter te voelen en die kans had jij hem niet moeten geven.’

Reve is in wat hij over Hermans’ werk schrijft minder uitgebreid, maar bij vlagen oprecht complimenteus (én op zichzelf gericht): ‘Jij hebt iets wat ik bepaald mis: beweeglijkheid van verteltrant en gedurfde, maar altijd rake vergelijkingen. Daardoor houdt mijn werk tegenover het jouwe altijd iets traags, vlaks en effens, een schemerig relaas, dat voornamelijk op stemming berust.’

Een deel van Reves brieven in de bundel is geschreven in het Engels, ze stammen uit de tijd in de jaren vijftig dat Reve meende zijn loopbaan te moeten voortzetten als Engelstalig auteur. Wanneer hij in een brief zijn vriend aanspoort dezelfde stap te nemen, reageert Hermans verrassend fel: ‘Nog zelden heb ik een brief ontvangen die kennelijk niet aan de geadresseerde was gericht, maar vooral aan de afzender zelf’. Waarna hij uiteenzet hoe Reve pas een Engelstalig schrijver kan worden als hij naar een Engelssprekend land emigreert. Het zal Hermans er niet van weerhouden om Reves The Acrobat and Other Stories uitgebreid te becommentariëren – en later boos te constateren dat deze zich amper iets van de aanmerkingen heeft aangetrokken. Hermans opereert daarbij trouwens best voorzichtig. Uit een ook overgeleverde conceptversie van de brief over The Acrobat bleek dat hij zowel zijn lof als zijn kritiek aanvankelijk veel scherper had geformuleerd.

De vriendschap tussen Reve en Hermans verwatert in de loop van 1957 en 1958 en eindigt abrupt wanneer Reve Hermans tot tweemaal toe om een bijdrage vraagt voor Van Oorschots Tirade, het ‘door mij zeer gehate tijdschrift’ aldus Hermans. Hij schrijft Reve dat zijn medelijden groot is, maar zijn tijd niet onbegrensd. ‘Daarom is in ongenade laten vallen wel het meest geschikte middel om van het gezeur af te komen. Dat overkomt jou dus bij dezen.’ De bezorgers van de brieven (Reve-biograaf Nop Maas en Hermans-biograaf Willem Otterspeer) gaan in hun summiere inleiding slechts kort in op de mogelijke redenen voor de breuk. Ze halen Hanny Michaelis aan die de botsing tussen twee zo sterke persoonlijkheden onvermijdelijk noemde en ze wijzen op de groeiende verschillen in levensopvatting tussen de katholieke bekeerling Reve en de vasthoudende atheïst Hermans.

Dat zal niet het hele verhaal zijn. Waarschijnlijk speelde ook een toegenomen faam en zekerheid van beide schrijvers een rol, waardoor ze minder behoefte voelden om steun te zoeken bij elkaar. Bovendien was het huwelijk van Reve en Michaelis in 1957 op de klippen gelopen door de homoseksualiteit van Reve. Dat gebeurde zeer tot verrassing en teleurstelling van Hermans. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het wegvallen van Michaelis de relatie van een deel van zijn sociale basis heeft beroofd. Uit verschillende brieven blijkt dat er niet alleen sprake was van een vriendschap tussen twee mannen, maar ook tussen twee echtparen.

Het laatste deel van de correspondentie is vooral vermakelijk. Reve doet een tiental pogingen het contact te herstellen: soms door Hermans om een interview te vragen, soms door net te doen of ze elkaar een paar dagen eerder nog hebben gesproken. Het levert voornamelijk stilte op, een enkele keer een opmerking van Hermans in een brief aan Reves levensgezel Joop Schafthuizen. Over de achtergronden van de correspondentie Hermans-Schafthuizen wordt door de verder consciëntieuze bezorgers helaas gezwegen. Tekenend voor de brieven uit de laatste periode zijn de aantekeningen die Hermans op de brieven van Reve maakte: ‘niet beantwoord natuurlijk’, ‘maar niet beantwoorden’, ‘niet ingaan op dit geseur’ en – op Reves laatste brief van juli 1987 ‘laat maar zitten’.

Met dat gemopper is het moedeloze einde van de vriendschap tussen deze twee grote schrijvers mooi gekarakteriseerd. Met de meerderheid van de brieven in het boek heeft het echter niets te maken. Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel is geen cynisch boek én geen polemisch boek. Het is een literair-historisch onmisbaar en literair onvergetelijk monument voor twee talentvolle, onzekere, schrijvende dertigers, gevangen in de eenzaamheid, net voor ze de top zullen bereiken.

Zie ook: www.willemfrederikhermans.nl en/of gerardreve.web-log.nl

Willem Frederik Hermans en Gerard Reve: Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Een briefwisseling. Bezige Bij / W.F. Hermans Instituut, 316 blz. € 19,90