Rechtszaak zet druk op missie

Een Nederlandse militair was in 2004 betrokken bij een schietincident in Irak, waarbij een burger stierf. De vader van het slachtoffer wil vervolging.

De 64-jarige Sabah Jaloud kon niet op tijd een visum krijgen om van Irak naar Nederland te reizen. Hij mist daardoor vandaag de zitting voor het gerechtshof in Arnhem. Jaloud wil dat een Nederlandse militair die in 2004 betrokken was bij een schietincident in Irak en waarbij Jalouds zoon werd gedood alsnog wordt vervolgd. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft de zaak eerder geseponeerd. Het is de eerste keer dat een nabestaande van een burgerdode in het buitenland aandringt op strafvervolging van een Nederlandse militair die op missie was. De zaak kan verstrekkende gevolgen hebben omdat bijvoorbeeld ook nabestaanden van burgerdoden in Uruzgan het voorbeeld van Sabah Jaloud kunnen volgen.

De Nederlandse militairen in de zuidelijke provincie Al-Muthanna maakten van 2003 tot 2005 deel uit van de Stabilisatiemacht Irak. Na de Amerikaanse inval was SFIR door de VN opgericht om de stabiliteit en wederopbouw te bevorderen na het regime van dictator Saddam Hussein.

Op verzoek van Sabah Jaloud heeft de Amsterdamse advocaat Liesbeth Zegveld het gerechtshof in Arnhem – alle strafzaken tegen militairen worden door de militaire rechtbank en het OM in Arnhem behandeld – gevraagd de militair te vervolgen. Jaloud was met Zegveld in contact gekomen via oorlogsverslaggever Arnold Karskens die in 2004 over het schietincident heeft geschreven in het tijdschrift Nieuwe Revu.

Na bestudering van de stukken constateert Zegveld dat de Nederlandse militair zich schuldig heeft gemaakt aan moord dan wel doodslag door zware mishandeling.

De 29-jarige Azhar Sabah Jaloud reed in de nacht van 21 april 2004 met een vriend op een belangrijke doorvoerweg tussen de havenstad Basra en Bagdad. Iraakse en Nederlandse militairen hadden in de buurt van Ar Rumaythah een wegversperring opgericht met het doel passerende auto’s te controleren op wapensmokkel. De controlepost was niet verlicht. Jalouds vriend reed op de onverlichte woestijnweg met een snelheid van 130 kilometer per uur tegen een aantal rood-witte olievaten van de wegversperring. De zwarte Mercedes reed daarna zwabberend door en werd, volgens het OM, door Iraakse politie en Nederlandse militairen onder vuur genomen.

Het OM heeft de zaak in 2004 onderzocht en afgezien van strafvervolging omdat Jaloud „vermoedelijk” zou zijn getroffen door een Iraakse kogel. Uit het stoffelijk overschot van Jaloud zijn metalen deeltjes gehaald die voor onderzoek naar Bagdad zijn gestuurd. Of het om Iraakse of Nederlandse kogels ging, kon niet worden vastgesteld.

De Nederlandse militair die op de auto had geschoten, bevond zich volgens het OM in een zogenoemde ‘putatieve noodweersituatie’. „Dat is een situatie”, legt Menno Dolman uit, „waarbij je denkt dat je wordt aangevallen, terwijl dat niet zo is”. Dolman, docent aan de Universiteit van Amsterdam, is de specialist op dit terrein. „Er wordt heel vaak een beroep op gedaan, maar het wordt zelden toegewezen. En dan is het de rechter die daarover beslist, niet een officier van justitie.”

Volgens advocaat Zegveld is „de zaak nooit goed onderzocht”. Zij bestrijdt dat sprake kan zijn geweest van een noodweersituatie. Zo blijkt uit verklaringen van getuigen dat de auto de controlepost al was gepasseerd, en vanuit de auto werd niet geschoten. In de auto werden ook geen wapens gevonden.

Uit documenten blijkt dat de Nederlandse militair 28 kogels op de auto heeft afgevuurd. Het bevel van de Nederlandse sergeant om het vuren te staken, volgde hij niet op. Hij stopte pas nadat zijn magazijn leeg was. De militair dacht dat er vanuit de auto werd geschoten – geen van zijn aanwezige collega’s had dezelfde waarneming en zij hebben dan ook niet op de auto geschoten.

„De bewering van de officier van justitie dat Jaloud vermoedelijk door een Iraakse kogel om het leven is gekomen, wordt door het dossier niet gerechtvaardigd”, aldus advocaat Zegveld aan de vooravond van de besloten zitting.

Bovendien is een belangrijke verklaring van Jalouds vriend Dawoud Joad Kathim die de auto bestuurde – en het ongeluk overleefde – niet aan het Nederlandse dossier toegevoegd. Kathim verklaarde tegenover de Iraakse onderzoeksrechter dat Jaloud door „ongeveer zes schoten” is getroffen „en hij heeft het leven verlaten als gevolg hiervan”. Ook kreeg Kathim van de tolk van de Nederlandse militairen de opdracht om te verklaren dat de Iraakse politie – en niet de Nederlandse soldaten – de schoten hebben gelost. Jalouds vriend doet bij de Iraakse onderzoeksrechter het verzoek om de Nederlanders aan te klagen.

De vader van het slachtoffer, Sabah Jaloud, vroeg een aantal keren een gesprek aan met de verantwoordelijke Nederlandse officieren in Irak. Een brief waarin hij om opheldering vroeg, werd niet aangenomen. Eén keer – bij de ingang van het kamp – heeft een tolk tegen hem gezegd dat ze contact zouden opnemen. De tolk noteerde zijn telefoonnummer. „Maar sinds de datum van het incident tot op de dag van heden is er geen enkel contact met mij geweest”, schrijft hij in een brief aan zijn advocaat. En door de „bureaucratische houding” van Nederland kon Jaloud vandaag niet aanwezig zijn bij de zitting, zegt Zegveld.