Lubinski fotograaf op gepaste afstand

Aardappelveiling in Bovenkarspel, 1933 Foto Kurt Lubinski, collectie Spaarnestad Photo Haarlem Twee boeren zitten in een enorme hoeveelheid aardappelen. Aardappelveiling in Bovenkarspel (N-H) 1933. Lubinski, Kurt

Tentoonstelling Kurt Lubinski: Fotograaf in exil. Joods Historisch Museum, Nieuwe Amstelstraat 1, Amsterdam. T/m 8 juni, dagelijks 11-17u. Inl.: 020-5310312, jhm.nl

Kurt Lubinski was wat je noemt een ondernemend fotograaf. In 1927 verbleef hij vier maanden in Oost-Afrika. Een jaar later begon hij aan een reis van zes maanden door de Sovjet-Unie: Moskou, Leningrad, dwars door Siberië. Dwars door de Verenigde Staten in een tweedehands auto, in 1929. Daarna, onder meer: Marokko, Algerije, de Balkan, Turkije, Shetland eilanden, Bretagne, Oostenrijk, West-Afrika. Zijn foto’s verkocht hij aan de uitgevers van geïllustreerde tijdschriften.

Zo opgesomd klinkt het gemakkelijker dan het in die dagen geweest moet zijn. En behalve die beroepsreizen waren er nog de verhuizingen. Lubinski was in 1899 in Berlijn geboren in een welvarend joods gezin en oorspronkelijk opgeleid als jurist. Gedwongen door de omstandigheden van zijn tijd verhuisde hij van Berlijn naar Heemstede (1933) en van Heemstede naar Londen (1937). In 1943 emigreerde hij voor de derde en laatste keer: naar Amerika waar hij in 1969 in New York overleed. Fotograferen deed hij toen al niet meer. Hij moet het nog wel geprobeerd hebben bij een emigrantenblad. Hij werd weer jurist, promoveerde en ging werken aan een universiteit. Zijn voornaam Kurt veranderde hij in Curtis, een niet ongebruikelijke lippendienst aan een nieuw begonnen leven.

Het is zelfs in die grove lijnen een imposant levensverhaal waartegen de aan Lubinski’s vooroorlogse reportagewerk gewijde tentoonstelling in het Joods Historisch Museum eigenlijk wat mager afsteekt. Ruim zestig kleine archieffoto’s en een handjevol tot affiches uitvergrote drukken plus enkele boeken en contemporaine tijdschriftpublicaties omvat het geheel. Tot in de puntjes verzorgd, maar spectaculair allerminst.

Echt verwonderlijk is dat contrast niet. Lubinsk1 liet het archief uit zijn Duitse jaren achter in Berlijn waar het in 1945 werd verwoest tijdens een bombardement. Alles van later datum heeft hij na het opgeven van de fotografie uit het oog verloren. Wat resteerde was wat zijn grote afnemers – Ullstein in Duitsland, Spaarnestad in Nederland – in de loop der jaren wilden of konden bewaren. En dat was niet bijster veel, ontdekte fotohistoricus Louis Zweers, samensteller van de expositie en eerder verantwoordelijk voor publicaties over Alphons Hustinx, Willem van de Poll en oorlogsverslaggever Alfred van Sprang; fotografen die net als Lubinski verdwenen tussen de coulissen van de geschiedenis.

Even bescheiden als de expositie is ook de fotograaf die eruit tevoorschijn komt. Lubinski richtte zich bij voorkeur op de folkloristische kanten van lokale volksculturen. Daarvoor was onder het tijdschriftenpubliek veel belangstelling. Hij banjerde rond en richtte zijn camera op wat hem onder ogen kwam: bewapende Ethiopische politieagenten op appèl, een saluerende stationschef in Helsinki, het onderonsje van een Amerikaanse hotelportier en een straatveger, toeschouwers bij een polowedstrijd in Biarritz, een worstelwedstrijd op een Bretons dorpsplein. Dat alles bekeek hij van gepaste afstand. Zodat het door de rommelige achtergronden en onhandige kadrering soms even duurt voor de details doordringen: de agenten zonder schoenen, de chef die een vrouw is.

Natuurlijk, ze zijn het min of meer toevallige overblijfsel van een oeuvre waaruit alle samenhang verloren is gegaan. Wat ze desondanks laten doorschemeren is dat Lubinski een ietwat onhandige fotograaf van anekdotes was en geen visueel verhalenverteller. De vernieuwingen van zijn tijd – het dynamisch gebruik van diagonalen, perspectieven en details – lijken aan hem voorbij te zijn gegaan. En veel verbeelding komt er niet aan te pas. Slechts een enkele keer weet hij alles zo te arrangeren dat het even samenspant, zoals op de foto uit 1933 van twee oudere heren in Bergen, België. Onder hun hoeden buigen ze zich elkaar toe en vormen zo een mooi driehoekje voor het wegwandelende jongetje op de achtergrond.

In een tijd waarin fotografie al te graag met artistieke superlatieven gelardeerd wordt, heeft het iets relativerends: zo weinig kan er dus overblijven van leven en werk van een fotograaf. Daarin schuilt ook het onderhuids leerzame. Alledaags, zo zou je Lubinski’s werk nu willen typeren. Er moeten in die jaren twintig en dertig talloos veel fotografen als hij hebben rondgelopen. En niet alleen toen.

    • Eddie Marsman