Het jaar dat de hemel opende

In 1608 presenteerde de Middelburgse brillenmaker Hans Lipperhey het eerste instrument ‘om verre te sien’.

Dit (én volgend) jaar wordt 400 jaar telescopen gevierd.

Lange telescopen en grote constructies trokken veel publiek, gravure uit 1690. Beeld Museum Boerhave Lenzen met een lange brandpuntsafstand gaven het beste beeld van de hemel. De lange telescopen en grote constructies trokken veel publiek, zoals te zien op deze gravure uit 1690. De gravure linksboven van Hans Lipperhey is uit 1655. Beeld Museum Boerhaave Museum Boerhaave

Het moet iets zijn geweest als de ontdekking van een nieuw continent: Toen Galileo Galilei in 1609 met de eerste degelijke telescoop de hemel bestudeerde, zag hij op de maan duidelijk reliëf.

Bij de planeet Jupiter ontdekte hij vier ‘sterren’, die voortdurend van positie veranderden en dus wel manen moesten zijn. Er waren meer sterren zichtbaar dan de mens sinds de oudheid kende, en Saturnus had duidelijk uitsteeksels, die later ringen bleken te zijn. De ontdekkingen buitelden over elkaar heen.

De telescoop, zo vertelt het pas verschenen boekje De Telescoop - Erfenis van een Nederlandse uitvinding van het Boerhaave Museum, is een Nederlandse vinding. De uitvinder was de Middelburgse brillenmaker Hans Lipperhey, die in 1608 naar Den Haag reisde om octrooi aan te vragen op zijn instrument ‘om verre te sien’: een bolle en een holle lens in een buis.

Lipperhey kreeg zijn octrooi niet, omdat zijn vinding te gemakkelijk na te maken was, en omdat er meer aanspraken waren op de primeur. Maar hij kreeg wel negenhonderd gulden voor de bouw van drie exemplaren. In Den Haag was het bovendien net een komen en gaan van diplomaten en gezanten, in verband met onderhandelingen over het twaalfjarig bestand. Het gerucht over de nieuwe uitvinding kreeg zo een uitstekende Europese verspreiding, tot in het Venetië van Galilei toe.

De geschiedenis van de telescoop, en de ontwikkeling van de astronomie, wordt in het boek beschreven via de levensbeschrijvingen van acht Nederlandse astronomen (inclusief brillenmaker Lipperhey). Beroemde astronomen blijken aan het begin van hun carrière kleine wetenschappelijke krabbelaars te zijn geweest, die, bezeten door het sterrenkijkvirus, moesten ploeteren om van hun passie hun werk te kunnen maken.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de relatief onbekende Joan Voûte (1879-1963), die afwijzing na afwijzing overwon, en uiteindelijk uitweek naar het Indische Lembang, om daar met hulp van de thee-industrieel Karel Bosscha een sterrenwacht op te zetten. Maar ook voor de beroemde Frederik Kaiser (1808-1972), stichter van een nieuwe Leidse sterrenwacht, kwam het astronomendom niet vanzelf. Als observator van de oude sterrenwacht werd het waarnemen hem zo goed als onmogelijk gemaakt. Daarop maakte hij maar een gat in het dak van zijn Leidse woning, om met zijn eigen telescopen de Halley-komeet waar te nemen.

Kaisers superieure berekening van de baan van Halley leverde hem vervolgens een reputatie op, en uiteindelijk een hoogleraars- en rectorspositie. Met hulp van vrienden in de regering, en een constante lobby ondersteund door populaire sterrenkundeboeken, lukte het hem zelfs om in Leiden een moderne Sterrewacht op te bouwen. Het complex lag aan de basis van een grote bloei van de astronomie in Nederland; een Amerikaanse astronoom merkte ooit op dat Nederland ‘tulpen en astronomen’ exporteert.

In de twintigste eeuw wist Nederland zich opnieuw uit te vinden als astronomenland, door te pionieren in de radioastronomie, het waarnemen van radiogolven uit het heelal die wél ongehinderd door de atmosfeer en het wolkendek reizen. Een beroemd voorbeeld is de Westerbork Synthese Radio Telescoop, veertien radiotelescopen op rij in Westerbork. De laatste ontwikkeling op dit gebied is de reuzen-radiotelescoop Lofar, in aanbouw in het noorden van Nederland, met uitlopers in heel Europa, verbonden met snelle datalijnen en een supercomputer, die uitrekent wat er te ‘zien’ is.

Moderne Nederlandse astronomen, zoals Imke de Pater en Ewine van Dishoeck die in de laatste hoofdstukken langskomen, zijn al net zo internationaal ingesteld. De Pater werkt in de Verenigde Staten, terwijl Van Dishoeck vanuit Leiden werkt aan de ALMA-telescoop in Chili. Zo lijkt de reis van Lipperhey van Middelburg naar Den Haag opeens een echt kleine, heel Nederlandse eerste stap.

Dirk van Delft, Albert van Helden, Hans Hooijmaijers, Huib Zuidervaart: De Telescoop - Erfenis van een Nederlandse uitvinding. Bert Bakker, 72 blz., 19,95 euro

    • Bruno van Wayenburg