En haal alstublieft die voeten eens van de bank

De gratis kranten hebben het aanzien van de publieke ruimte veranderd.

En het is er ook steeds lawaaiiger en viezer. Moet je er wat van zeggen? En wat?

Let in de trein niet alleen op bagage maar ook op deze krant, want die kan zomaar worden weggegrist. En dan is het natuurlijk mooi als die gretigheid getuigt van een voorkeur, maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat de krantengraaiers er ten onrechte van uitgaan dat kranten gratis zijn – zeker tabloids. Ze pakken wat ze lezen kunnen. En wat hun niet bevalt, gooien ze weg.

Zo heeft de gratis krant bijgedragen aan de verdere informalisering van de publieke ruimte. Net als eerder de witte fietsen collectief eigendom en dus gratis waren, is nu de krant van iedereen en niemand.

Maar tegenover de vrijheid van de één om zonder vragen (of onder onverstaanbaar gemompel) een krant te pakken, staat dat de ander zijn krant moet bewaken en eventueel terugvragen. Want de krantengraaier kan nrc.next zomaar in zijn tas stoppen en uitstappen, om ergens anders verder te lezen en de krant daarna weg te gooien. Wat gratis is, neem je niet mee naar huis.

En dus is aan het einde van de dag de treincoupé een oudpapierbak. Overal liggen stapels vlekkerige, verkreukelde, deels verscheurde en door zonlicht ingedroogde kranten. Passagiers gebruiken kranten om hun voeten op de tegenoverliggende bank te leggen, soms ook als er een ander naast die voeten zit. De conducteur stelt allang niet meer de vraag: ‘Doe je dat thuis ook?’ Want het antwoord luidt steeds vaker: ‘Ja, en wat dan nog?’

En daar heeft de conducteur niet van terug. De voeten op de krant leggen is een ongeschreven privilege voor treinreizigers geworden. Alleen wie geen krant onder zijn voeten legt en er niet al te vervaarlijk uitziet, krijgt nog wel eens een berisping.

Maar het zijn niet alleen de gratis kranten die het aanzien van de publieke ruimte hebben veranderd. Er zijn steeds meer mogelijkheden gekomen om je gang te gaan zonder ingewikkelde openingszin of verzoek om toestemming. En bij sommige van die mogelijkheden steekt het ongevraagd iemands krant lezen nog onschuldig af. Tegenwoordig kan in de trein muziek worden geluisterd, tv worden gekeken en er kan worden gebeld, gegeten en gedronken. De multiconsument doet het gewoon allemaal. Alle anderen moeten het verdragen.

En raar lijkt het niet. Wie heeft betaald voor een mobiele telefoon of iPod wil hem ook zo veel mogelijk gebruiken. Alleen roken wordt op steeds meer plekken verboden. Alle andere consumptievormen zijn overal te horen, te zien en te ervaren.

Moet je er wat van zeggen? En wat dan? Waar ligt de grens?

Er zijn uitwegen uit deze dilemma’s. Volgens de beschavingsthese van ‘civilisatie-socioloog’ Norbert Elias (1897-1990) schept technische vooruitgang een grotere, onderlinge afhankelijkheid die ertoe leidt dat mensen zich beter leren beheersen. Een goed voorbeeld daarvan is het autoverkeer. Na het eerste ongeluk werd de auto niet verboden, maar kwamen er strengere verkeersregels.

Maar het gedrag werd ook beïnvloed door de verbetering van de auto en de weg. Er werden veiligheidsvoorzieningen aan de auto aangebracht als krachtige remmen, stabilisatie en spiegels, zodat mensen veiliger konden rijden. In kinderrijke buurten werden automobilisten door verkeersdrempels gedwongen hun snelheid aan te passen.

Het gaat er dus niet om het gebruik van telefoon of iPod te verbieden, maar om dat gebruik te beheersen en in de hand te houden.

Die ontwikkeling heeft zich ook voorgedaan met verpakt voedsel dat meteen op straat kan worden opgegeten. Er is altijd informeel buitenshuis gegeten. Maar voor schaften met een broodtrommeltje zocht de arbeider een hoekje, een tafel of het schaftlokaal op. Afval was er niet, want iedereen nam zijn trommeltje weer mee naar huis voor de volgende dag.

Nu gaat het schaften de hele dag door. In winkelstraten en op perrons lopen voorbijgangers te kauwen, te drinken en te likken. En degenen die al dat eten verkopen hebben minder verantwoordelijkheden dan een restauranthouder. Ze hoeven niet te bedienen of af te wassen – en de afvalverwerking is een zorg van de gemeente. Dus stromen de prullenbakken over. En zijn middelbare scholen herkenbaar aan de verwaaide blikjes en verpakkingen in hun directe omgeving.

Daar was al een oplossing voor: het cafetaria. Dat gaat van een statafeltje met prullenbak bij de haringkar tot een verwarmd lokaal met zitgelegenheid en wc. In sommige fastfoodrestaurants zijn de stevige tafels en rode banken beter dan het eten zelf. Aan zo’n tafel wordt een hamburger een echte maaltijd, die mensen samen nuttigen om pas daarna weer de straat op te gaan.

Een uitbreiding van het cafetariaconcept is het voedselhof in het winkelcentrum: verkopers van loempia’s, pizza’s en ander snelvoedsel zetten samen tafels, stoelen en vuilnisbakken op een binnenplein. Zij houden zo de anonieme eters van de straat en laten het afval niet aan de gemeenschap. Het is alsof uitgevers leestafels zouden aanbieden. Of elke dag de oude kranten uit de trein zouden komen opvissen.

In Nederland komt het nieuwe cafetariamodel minder snel op gang dan in Amerika, land van de McDonald’s. Mensen hebben ook minder moeite om afval op straat te gooien. In de Amerikaanse etiquette daarentegen, leeft de republikeinse gedachte van het sociale contract. Dat geeft iedereen de verantwoordelijkheid om het leven van de ander te veraangenamen. Omgekeerd heb je dan zelf ook minder last van de ander.

Dit sociale contract is geen expliciete afspraak maar een historisch gegroeide mentaliteit, die in de opvoeding en op school wordt voorgedaan. Het is het gedeelde gevoel van burgers die ooit na een revolutie met elkaar aan een nieuwe samenleving zijn begonnen. Zelfs een crimineel gaat voor een loket keurig in de rij staan, want iedereen begrijpt dat dat soort regels handig zijn.

Nederland mist die Amerikaanse republikeinse mentaliteit. Etiquette werd niet zozeer beschouwd als sociaal contract, maar als middel om onderscheid te maken tussen de standen. In de jaren zestig en zeventig hebben wij ons daarvan bevrijd – en zijn er heel wat nare plichten overboord gegooid, zoals de talloze aanspreektitels waarmee mensen moesten worden aangeschreven. Maar daarmee is etiquette niet nutteloos. Het heeft wel degelijk zin om iemand te vragen of de krant die voor hem ligt vrij is.

Maar hoe komen we aan nieuwe publieke verkeersregels voor al die iPods, mobiele telefoons en gratis kranten? Niet door reclamespotjes van de rijksoverheid en ook niet door premier Balkenende, want die vervullen hierin slechts een marginale rol. Nee, de gemeenten en bedrijven die publieke diensten aanbieden moeten het regelen – en daar is echt geen politie bij nodig.

In sommige restaurants en concertzalen wordt de mobiele telefoon al vanzelf geblokkeerd. Er zijn ook treincoupés waar niet mag worden gebeld. Het werkt niet altijd, maar het is beter dan totale onverschilligheid. De spoorwegen lijken dat te begrijpen, nu ze hebben aangekondigd dat conducteurs reizigers vaker gaan aanspreken op asociaal belgedrag.

Ook voorzieningen helpen. Rokers zijn uit de trein verdreven, maar willen in de tijd dat ze op de trein wachten toch graag aan hun trekken komen. Veel niet-rokers zeggen dat ze daar last van hebben. Dus zijn er nu rookzones met een asbak op een paal, zodat de rook anderen minder hindert. Het voordeel van een bordje voor de roltrap (links lopen, rechts staan) kan iedereen inzien. Dat bordje is er nog niet.

En misschien kunnen er in de trein speciale bakken komen voor uitgelezen kranten, die daar dan ongevraagd uit kunnen worden gepakt. Dat scheelt in de schoonmaak aan het einde van de dag. En reizigers hoeven hun eigen krant niet meer te bewaken.

Vind je dat het wel meevalt met de informalisering van de publieke ruimte? Discussieer mee op nrcnext.nl/opinie

    • Maarten Huygen