Bewust werken aan de band met je adoptiekind

Een adoptiekind kan leren zich te hechten aan zijn nieuwe ouders. Daar werken hulpverleners meer aan dan vroeger. „Je moet het vertrouwen herstellen.”

Er is een jongetje van zes jaar dat zomaar woedend kan worden. Hij daagt zijn broer telkens uit. En hij kan niet slapen. In slaap vallen duurt zo lang dat zijn moeder er wanhopig van wordt. Ria van der Vliet, die adoptiegezinnen begeleidt, begrijpt waarom: het jongetje durft niet los te laten. Als hij slaapt, zou hij alles wel kwijt kunnen raken.

In Colombia verwaarloosde zijn verslaafde moeder hem. Ze liet hem achter bij een vriendin die hem mishandelde. De Colombiaanse kinderbescherming bracht hem onder bij een lokaal pleeggezin. Daarna werd hij geadopteerd door Nederlanders. Het vierde adres binnen vier jaar.

Namens de Gelders/Overijsselse organisatie Pactum begeleidt Ria van der Vliet ouders met een adoptiekind die op problemen stuiten. Ze praat met de ouders en gebruikt vaak de video-interventie-methode. Ouder en kind worden gefilmd als ze samen eten of een spelletje doen. Daarna analyseert zij de beelden en adviseert de ouders over de opvoeding en vooral het hechtingsproces. Van der Vliet: „Veel ouders zeggen: hadden we dit maar eerder geweten! Die zijn zo opgelucht als ze zien dat de band met hun kind beter wordt.”

Van de 35.000 buitenlandse adoptiekinderen in Nederland, hebben de meesten niet kunnen profiteren van de kennis over hechtingsproblemen die er nu is. Pas eind jaren negentig is begeleiding van adoptieouders goed op gang gekomen, na onderzoek door Femmie Juffer, hoogleraar studie van adoptie te Leiden. Wel werd in 1990 wettelijk verplicht dat adoptieouders die zich voorbereiden op de komst van een kind een cursus volgen. Maar hulp om hechtingsproblemen na de adoptie te boven te komen is relatief nieuw.

Uit internationaal onderzoek blijkt dat geadopteerde kinderen twee keer zo vaak professionele hulp zoeken als ‘gewone’ kinderen. Op grond van ruim tien jaar ervaring gelooft Ria van der Vliet dat álle adoptiekinderen hechtingsproblemen hebben. „Ze zijn wel te overwinnen en ze zullen zeker niet allemaal leiden tot een hechtingsstoornis, maar hun gevoel van veiligheid en vertrouwen is altijd beschadigd. En ze moeten van alles verwerken. Dat ze zijn afgestaan door hun moeder. Dat ze er anders uitzien dan hun adoptieouders en hun omgeving. In de puberteit bijvoorbeeld, zet je je af tegen je ouders: zó wil ik niet worden. Maar als je je echte ouders niet kent en je je niet goed hebt verbonden met je adoptie ouders, weet je niet waar je je tegen afzet.”

Tegenwoordig hoeven adoptieouders niet te wachten tot de relatieproblemen met hun kind onbeheersbaar worden. Met een ‘indicatie’ van jeugdzorg kunnen ze terecht bij hulpverleners als Ria van der Vliet. Zij herkennen gedrag dat wijst op hechtingsproblemen al bij kinderen van één jaar oud. Juffer: „Een kind dat zich niet durft te hechten, gaat óf voortdurend zijn eigen gang en doet geen beroep op zijn verzorger als hij pijn heeft of boos is. Óf hij klampt zich aan zijn verzorger vast en wijkt niet van haar zijde uit angst haar te verliezen. Een kind dat zich wel veilig voelt, wisselt dat gedrag af: het ene moment gaat het zijn eigen gang, de wereld verkennen, het ander moment komt het huilend op schoot zitten om getroost te worden.”

Belangrijkste oorzaak is dat veel adoptiekinderen in hun eerste levensjaar in een kindertehuis hebben gewoond, vertelt Juffer. „Daar reageert meestal niemand als ze huilen. Ze zitten te lang in hun bedjes en ze hebben steeds een andere verzorger. Daardoor leren ze al snel dat huilen zinloos is en dat je op niemand kunt rekenen.” Die ervaringen kunnen een kind ook veel later parten spelen. „Wat je in je eerste levensjaar meemaakt, sla je onbewust op.”

Adoptieouders moeten volgens de deskundigen bewust aan de band met hun kind werken. Dat leren ze van mensen als Van der Vliet. „Alles wat gewone kinderen nodig hebben in de opvoeding – regelmaat, duidelijke regels, dezelfde mensen die elke dag op dezelfde manier reageren op dezelfde dingen – hebben adoptiekinderen nodig in het kwadraat. Je moet steeds weer bevestigen dat je ze ziet en dat ze er mogen zijn. Je moet consequent zijn met de regels en de dagindeling moet voorspelbaar zijn zodat ze weten wat er van ze verwacht wordt en ze je gaan vertrouwen. Ik zeg vaak: als je het gevoel hebt dat je een puppie aan het trainen bent, dan ben je goed bezig.”

    • Frederiek Weeda