Vrijheid of dood

’t Is bijna Pasen. Net of de natuur dat weet, overal komt het leven terug, steken bloesempjes hun hoofdjes naar buiten, onder elk dor blad dat je opzij schuift komen eerste sprietseltjes van iets omhoog. Vooral de tuinplanten zijn zo raadselachtig: in de winter zijn ze helemaal weg, van die weelderige pioenroos is níéts meer te zien en nu komen voorzichtig weer rosse sprietjes. Staat er straks weer een flinke bos te bloeien.

Als je daarnaar kijkt begrijp je best dat allerlei godsdiensten een god hebben die door de dood heen gaat. Weliswaar zien we het mensen nooit doen, en dieren ook niet, maar de wederkomst in de natuur is aanleiding genoeg om vrolijke lentefeesten te vieren en daarbij te joelen: Hij is waarlijk opgestaan.

Hoewel het voorjaar altijd iets sterks en opwekkends heeft, en vanzelf de wederopstanding uit lijkt te beelden, vind ik die herrijzenis toch niet het allermooiste aan Pasen. Het krachtigste is de tijd daarvoor – niet in de tuin of de natuur, maar in het paasverhaal bedoel ik. De strijd om dat te doen wat gedaan moet worden, hoewel het bijna niet te doen is. Een mooi voorbeeld.

Daar zien we, ik haast me het te zeggen, ook heel vervelende voorbeelden van, want mensen zijn heel goed in staat om zich de meest verschrikkelijke heilige doelen te stellen en hard te vechten voor een verkeerd ideaal. Daarbij stijgen ze, gelijk Christus, boven zichzelf uit, ze zijn bereid hun leven te geven in dienst van de anderen – dan zou je dat eigenlijk allemaal ook heel mooi moeten vinden. Christus als terrorist. Het is nog niet zo makkelijk lijkt me, als je vast wilt houden aan de grootsheid van de zelfopoffering, om allerlei varianten daarvan af te keuren.

Wij en onze moraal, dat blijft altijd erg moeilijk. Iets doen voor anderen, iets doen omwille van een groter belang dan je eigen belang, dat vinden we over het algemeen mooi en hoogstaand. Maar hoe stel je vast dat het grotere belang ook de moeite waard is? Dat het niet gaat om een verkeerd ideaal?

Dat lijkt zo in het algemeen ook nog niet eens zo moeilijk, dan zeg je achteloos: zodra mensen anderen een manier van leven willen opdringen is het verkeerd. Maar anderzijds: zonder een beetje opdringen wordt het niet veel met de rechtvaardigheid.

Vorige week werd op de televisie een indrukwekkende documentaire vertoond van Annegriet Witsma, Sozdar, zij die haar belofte nakomt. De filmmaakster volgde een poos lang de Koerdische verzetsstrijdster Nuriye Kesbir, die een tijd in Nederland gevangen zat nadat ze aangehouden was op Schiphol. De Nederlandse regering wilde haar uitleveren aan Turkije, waar ze zeker gemarteld en verkracht zou worden. „Vrijheid of dood” riep ze in de rechtszaal, en tegen Witsma zei ze, met paniek in haar ogen: „Ik heb honderden Koerdische vrouwen door Turkse soldaten verkracht zien worden”. Gelukkig verbood de rechter de uitzetting uiteindelijk en toen mocht ze het land niet uit, maar er ook niet blijven, want geen verblijfsvergunning. Nederland is veel raarder dan je vaak denkt.

Je zag gesprekken met haar, een aardige, tengere vrouw, die zich ooit voorgenomen had niet te trouwen en geen kinderen te krijgen om zich in te kunnen zetten voor haar volk „en voor de mensheid”, zei ze. Ze had dat besloten nadat ze de beelden had gezien van Saddams gifgasaanval op Halabja in 1988. Wij kregen daar ook wat beelden van te zien, die vreselijke beelden van mensen die vluchtend zijn gestikt, een grootvader die zijn kleine kleinkind nog met zijn lichaam probeert te beschermen. Kesbir strijdt, zo zei ze, voor een normaal leven, met voldoende te eten en ergens om te wonen. „Maar als je zo denkt dan ben je een gevaarlijk mens met gevaarlijke gedachten”, glimlachte ze een beetje bitter.

Je zit als televisiekijker dan natuurlijk enorm je hoofd te schudden, en te denken hoe redelijk zij is en hoe gestoord wij. Maar dan realiseer je je weer dat zij als ‘vrijheidsstrijder’ wel met een grote kalasjnikov de bergen in trekt om guerilla-acties te voeren. En ze zegt desgevraagd dat ze niet erg stilstaat bij de dood van de tegenstanders: „Je bent vrijheidsstrijder”.

Aan het eind van de film was ze toch weer terug in de bergen om te vechten voor Koerdische rechten. Vrijheid of dood.

Ja, wat moet je daar nu van denken, zo met Pasen en al die mooie woorden in je hoofd? Natuurlijk hebben de Koerden ook recht van leven en bestaan, recht op dorpen, een taal, een cultuur. Dat vindt iedereen, behalve de Turken, Irakezen en Iraniërs die het land waarop de Koerden wonen als van hen beschouwen. Wij in het Westen houden van rechten, maar als de mensen daarvoor gaan vechten, met echt schieten en echte doden, dan wijzen we ze liever uit naar Turkije, al weten we nog zo goed welk lot ze daar te wachten staat. Dan geldt: vechten en doden mag niet.

Maar wat dan? Alles is bovendien altijd ingewikkelder dan het lijkt, oude vetes spelen door nieuwe strijd heen, onredelijkheid en misdadigheid komen bij beide partijen voor, historische rechten zijn niet altijd hetzelfde als actuele rechten. En dan vinden wij het toch beter als men wat lijdzaam is, terwijl wij in een nette brief de Turkse regering op haar menselijke plichten wijzen.

Dan lijkt het lijdensverhaal ineens heel anders – niet een verhaal dat de mooie boodschap biedt dat je boven jezelf uit kunt stijgen ten behoeve van de anderen, maar een verhaal dat zegt: verzet je niet, wat de gevolgen ook zijn. We leven met alle twee die interpretaties. En ze zijn onverzoenlijk.

Reageren kan op nrc.nl/vos (reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie).