Tekenkunst is serieus, groot en groots

Erik Odijk: ‘Oscillation’ (2004, houtskool, pastel op papier) Erik Odijk:

Tentoonstelling Into Drawing, t/m 25 mei te zien in Museum Schloss Moyland, Am Schloss 4, Bedburg-Hau (D). Tot 31/3 di - zon, 11 tot 17 uur. Daarna di-vrij, 11 tot 18 uur; za/zon 10 tot 18 uur. Inl.: www.moyland.de, + 49-2824 951060,

Vroeger, in het Wilde Westen, werden de locaties van grafietmijnen angstvallig geheim gehouden. Rondtrekkende grafietbendes schuwden geen geweld om het kostbare materiaal te bemachtigen. Ook in Europa is wel het diplomatiek getouwtrek om de grondstof wel eens als ‘Potloodoorlog’ aangeduid. Toch werd het potlood niet erg serieus genomen. NASA schijnt vorige eeuw kapitalen te hebben uitgegeven om een pen te laten ontwikkelen die bij gewichtloosheid kon schrijven. De Russen gebruikten wel gewoon potloden.

Maar intussen is de potloodtekening in aanzien gestegen; het is niet langer het stiefzusje van de schilderkunst. Dat tekenkunst net zo serieus is als andere kunsten, is de hoofdboodschap van de tentoonstelling Into Drawing, een overzicht hedendaagse Nederlandse tekenkunst.

Ruim twintig Nederlandse tekenaars doen eraan mee met in totaal tientallen werken. Van de bruikleengevers is veel geduld gevraagd: de tentoonstelling reist al ruim twee jaar door Europa en is nu aanbeland bij zijn laatste locatie, Museum Schloss Moyland in Kleef.

Bij serieuze kunst hoort serieus formaat, zo lijkt het motto te zijn. Verschillende tekenvellen zijn twee, drie meter hoog, en behalve met potlood soms ook met aquarelverf, lak of knipsels bedekt. Zo’n formaat vraagt om grote eenvoud, vindt bijvoorbeeld Elly Strik. Zij tekent plantendetails die bij drie meter hoogte verworden tot abstracties waar nog maar weinig bloemigs aan is. Toch is zij met dit eenvoudige gebaar en de eenzame lijn op Into Drawing in de minderheid. Voor zover Striks mede-exposanten op groot formaat tekenen, beginnen ze vaak in een hoekje te priegelen, te schetsen en te gummen, zonder vooropgezet plan, net zo lang totdat het werk vol is. Zo doemen buitenaardse landschappen op doordat Hans de Wit allerlei abstracte vormen opstapelt, en laat Roland Sohier bossen wemelen van de sprookjesfiguren die meer of minder weggegumd zijn.

Toch krijg je nergens het gevoel dat de exposanten zich tot details beperken omdat ze het grote formaat niet aandurven. Erik Odijk, de beste van het stel, laat uit duizenden blaadjes een bos opdoemen dat de monumentaliteit heeft die hoort bij het formaat: vier meter breed. Dit werk is groot en groots. De duizelingwekkende blaadjes geven het gevoel dat in dat landschap een microkosmos huist die wij net niet kunnen zien. Geheimzinnig en monumentaal is ook een tekening van Otto Egberts, van een man die wakker in bed zit. Het zwart om hem heen blijkt van dichtbij te zijn opgebouwd uit nerveuze krijtstreepjes die soms zelfs het papier kapot hebben getrokken. De nachtmerrie die de man overeind deed schrikken, blijft als een donkere dreiging in de lucht hangen.

Schloss Moyland is een mooi eindstation voor de tentoonstelling. Het huisvest zelf een relatief grote collectie tekeningen, al is de kwaliteit daarvan nogal wisselend. Op Into Drawing zijn mindere tekeningen moeilijker te vinden. Het is een mooie tentoonstelling, goed en ruim ingericht, met een rijk geïllustreerde catalogus. Hooguit is het wel erg netjes.

In zijn drang naar emancipatie van het medium heeft Into Drawing de heimelijkheid van het tekenen buitengelaten. De kunstgeschiedenis van de tekening bevat outsiderkunst, karikaturen, erotica, absurditeiten en andere taboes die nooit op de echte kunst – het schilderij – terecht mochten komen. Deze heimelijke fantasieën hebben van de tekenkunst een ongeremde, en daarmee volgens sommigen eerlijker, kunst gemaakt. Een echt overzicht van de Nederlandse hedendaagse tekenkunst is het dus niet. Maar, tussen zo veel moois dondert dat niets.

    • Sandra Smets