Profiel of stabiliteit?

Het is veel belangrijker dat het kabinet als eenheid optreedt dan dat de ministers van de PvdA en de andere partijen zich nou even lekker gaan zitten te profileren. Als we het vertrouwen willen vergroten, moeten Balkenende en Bos hetzelfde verhaal in dezelfde kleur vertellen. Dat zei minister Guusje ter Horst (PvdA, Binnenlandse Zaken) in een vraaggesprek met deze krant (Zaterdag &cetera, 15 maart). Dat was een interessant gesprek. Even later suggereerde zij dat de politieke leiders van de coalitiepartijen eigenlijk in de Tweede Kamer zouden moeten blijven en geen zitting zouden moeten nemen in een kabinet. Alle politieke leiders van de coalitie dan, want „anders werkt het niet”.

Leve het dualisme tussen regering en parlement, als het ware, zij het dat daarvan weinig zou overblijven wanneer de fractieleiders van de regeringspartijen voortdurend met de premier samenkomen achter de gesloten deuren van diens Torentje.

De minister, lid van een kabinet waarvan de leiders van de drie coalitiepartijen (CDA, PvdA en ChristenUnie) deel uitmaken, geeft overigens wel toe dat haar suggestie in Den Haag „niet zo realistisch” is. Wie denkt aan de rol van de premier in Europa en de mediabonus die hem vandaag automatisch toevalt, moet haar daarin bijvallen. In de huidige situatie is de toetreding tot het kabinet van de heren Balkenende, Bos en Rouvoet, na een verkiezingscampagne met vele harde botsingen, onder meer een teken dat zij hun coalitie een echte kans wilden geven en dat als het ware persoonlijk zichtbaar wilden maken.

Het is daarbij nuttig te bedenken dat Bos in het eerste, uiteindelijk mislukte, deel van de moeizame kabinetsformatie van 2003 niet zelf vicepremier wilde worden. Hij had destijds de Amsterdamse burgemeester Cohen op het oog voor het vicepremierschap en wilde zelf liever als fractievoorzitter in de Tweede Kamer leiding geven aan de vernieuwing (en profilering) van de PvdA.

Het is een oud vraagstuk. Wat telt voor de deelnemende coalitiepartijen het zwaarst: zoveel mogelijk stabiliteit in het kabinet, mede dankzij de personele samenstelling daarvan? Of toch liever als fractieleider letten op de rust en stabiliteit van de eigen partij, niet gebonden door de besluiten van het kabinet (voorzover die althans niet voortvloeien uit een regeerakkoord)? En dan dus met meer armslag om de eigen partij en de eigen persoon te profileren.

Binnen dat vraagstuk bestaat er dan nog het probleem van de psychische gesteldheid van de partijen zelf. Een in beginsel op verandering gerichte traditionele bestuurderspartij als de PvdA bijvoorbeeld tobt al een aantal decennia met de spanning tussen wat in het Duits Gesinnungsethik en Verantwortungsethik wordt genoemd. Anders gezegd: de spanning tussen wat zij wil, haar kaders, leden en kiezers, en wat in de bestuurlijke werkelijkheid kan. Of, nog anders: zij, maar tot op zekere hoogte elke partij, zit met de akelige spanning tussen droom en daad, zoals tussen Van Eedens Windekind en Pluizer, zo men wil. De arme Bos, man van de cijfers, twee jaar geleden in de opiniepeilingen goed voor zestig Kamerzetels, is intussen als vicepremier het levende symbool van die spanning. Daar helpt geen open kraag of een angstige blik richting SP of Wilders aan. Net zo min als voortdurende knievallen voor de snelle stemmingsveranderingen die enquêteurs melden en die de media en de spraakmakende gemeente om hen moverende redenen graag uitvergroten. Goed consequent bestuur, liefst een paar jaar volgehouden, en een zekere economische wind in de rug zouden vast meer helpen, en we zouden er bovendien wat aan hebben. Dat zou ook meer helpen het vertrouwensverlies van kiezers te verminderen dan allerlei fopspenen uit de politieke vernieuwingswinkel.

Een curieuze kant zit er, historisch gezien, nog aan de suggestie van minister Ter Horst. Tot veertig jaar geleden was het in de KVP, voorloper van het CDA, vaste regel dat de echte politieke chef in de Tweede Kamer zat. Die chef nam als hij het nodig vond afstand van het kabinet, en viel daarmee dan ook zijn partijgenoten daarin af. Bekendste voorbeeld daarvan is het einde van het centrum-linkse kabinet-Cals/Vondeling in oktober 1966, dat ten val kwam over een motie van KVP-fractieleider Schmelzer. In veranderend Nederland zagen zeer velen dat toentertijd als de uitdrukking van de onbetrouwbaarheid van Schmelzers partij.

Zo gezien illustreren de suggestie van PvdA-minister Ter Horst, en de voorkeur van Bos in 2003, dat er in Nederland ook op dat stuk aardig wat is veranderd.

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad

Reageren kan op nrc.nl/bik (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).

    • J.M. Bik