Kox verwoed en eenzaam in ‘Vijfde’

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Jaap van Zweden. Gehoord: 15/3 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 18/3 20 uur. Ned 3: 20/4 13 uur en 21/4 0.00 uur (Kox); 4/5 13 uur en 5/5 0.00 uur (Sjostakovitsj).

De eeuwige terugkeer. Zo luidt, in het Duits, de aan Nietzsche ontleende titel van een eerder werk van componist Hans Kox (1930). Maar de gedachte is ook het uitgangspunt van zijn nieuwe Vijfde symfonie. Het enige dat steeds zal veranderen, is de manier waarop alles hetzelfde blijft”, zei misantroop Kox drie jaar geleden in deze krant. Geheel in overeenstemming hiermee kenmerkt de Vijfde zich door een steeds hernieuwd beginnen, een verwoed, eenzaam en grillig pogen, dat voortdurend stukslaat, terug naar ‘af’ moet en eigenlijk nooit fundamenteel verandert.

Het eerste en vijfde deel van de symfonie gingen al in 2006 in première bij de opdrachtgever van die delen: het Koninklijk Concertgebouworkest, destijds overtuigend onder leiding van Markus Stenz. In opdracht van de Zaterdagmatinee breidde Kox het werk nu uit tot een complete symfonie. Dat overlappende opdrachtgeverschap was onlangs reden voor een kleine rel over de honorering van het werk: moest er nu wel of niet opnieuw voor een ‘hele’ symfonie betaald worden? Over de muziek zelf ging het allemaal niet.

De bestaande twee delen (nu delen 1 en 5) lijken door de componist hier en daar te zijn aangepast ten opzichte van de ‘versie 2006’. Maar belangrijker is dat het werk in de nieuwe, vijfdelige versie als geheel nóg grilliger en fragmentarischer van vorm is geworden en daardoor ook minder toegankelijk. Kox is een componist die invallen krijgt en het ene idee voortdurend in het andere transformeert, waarbij de grotere structuur soms het onderspit delft.

Donkere, dramatische strijkers herinneren aan de ondertitel van de symfonie, ‘Umbrae Futurae’, maar maken ook steeds weer plaats voor hevig orkestgeweld ergens tussen Bartók, Sjostakovitsj en soms – bijvoorbeeld in koper en slagwerk – ook Messiaen. Kenmerkend zijn de veelvuldige afwisselingen tussen eenzame solo’s en driftige tutti-passages in het tweede deel. Het is bijzondere muziek, die op zich indruk maakt, maar ook (ongewild?) duidelijk maakt dat pessimisme en grimmig cynisme tot verstarring kunnen leiden.

Memorabel en emotioneel bewogener was het Matineedebuut van Sergey Katchatryan in Sjostakovitsj’ Eerste vioolconcert. Met een introverte, onaardse klank gaf de Armeense violist in nauw samenspel met dirigent Van Zweden een stemmige, diep weeklagende interpretatie. Wat voorspelbaar in opbouw, maar fenomenaal in uitwerking was Katchatryans lange solocadens. Het bravogeroep was – zeker na een esthetisch zeer gesoigneerde Bachtoegift – dan ook niet van de lucht.

    • Jochem Valkenburg