Guusje ter Horst en het thema van de Boekenweek

Guusje ter Horst – aardig mens heb ik dat altijd gevonden. Als een deskundige jury de top-drie (de shortlist om zo te zeggen) van Balkenende IV zou moeten aanwijzen, weet ik zeker dat zij erbij zit.

Maar is ze oud aan het worden?

Naast een foto waarop ze jong oogde las ik in het zaterdagbijvoegsel van NRC Handelsblad haar klacht over het menselijk verkeer in ons hedendaagse koninkrijk.

„Al die mensen die elkaar voor het minste geringste de huid volschelden”, zei ze tegen haar interviewer, „of die vóór ze gezegd hebben wat ze niet aanstaat zo ongeveer de knuppel al uit hun achterbak hebben gehaald... Ik wil oproepen om de beschaving die in Nederland toch altijd diep geworteld is geweest overeind te houden, anders wordt het een soort Wild West”.

Iemand die bang is dat we mekaar dingen aandoen die we mekaar gisteren nog niet aandeden, en die vreest dat onze oude beschaving ineens omvalt – dat wordt vaak een teken van naderende ouderdom genoemd.

Concrete tekenen – je wordt grijs, je begint krom te groeien, gesprekken kun je steeds moeilijker volgen – zijn niet de ergste. Die kun je heel lang camoufleren: de verfkwast, de ruggengraatchirurg, het gehoorapparaat. Veel onherstelbaarder is het gevoel alsof van de ene dag op de andere de klok vanwege een superzomertijd niet een uur maar tien jaar vooruit wordt gezet: de dood tegemoet.

Ik weet nog precies wanneer ik die sensatie onderging. Vijfendertig jaar geleden ongeveer, mijn vrouw wordt plompverloren ziek, ik vind het er lelijk met haar uitzien, en ik bel de doktersdienst, want het is natuurlijk weer zondag en onze eigen dokter geeft niet thuis.

Ik ijsbeer een uur zenuwachtig van m’n stoel naar het raam, alsof ik weer vader moet worden – en eindelijk zie ik een deux chevaux voor de deur stoppen (je kon toen nog overal parkeren), en daar stapt een kwieke jongen van misschien acht, negenentwintig uit: eigenlijk meer een snotneus dan iemand die mijn vrouw beter zou kunnen maken. Maar ’t was ’m: de dokter.

Dat was wat mij betreft het keerpunt. Als de huisarts niet meer op een figuur uit Dickens lijkt maar je kind had kunnen zijn, ben je oud geworden. Binnen een paar maanden blijkt dan ineens dat overal de macht is overgenomen door kinderen: de leraren op de ouderavond, de president-directeur van Albert Heijn, de minister van cultuur en welzijn, de dirigent van het Concertgebouworkest – allemaal snotneuzen. En dan duurt het ook niet lang meer of je begint te merken dat sommige leden van de Tweede Kamer ‘hun’ zeggen als het ‘zij’ moet zijn, dat de politie nog geen kwart van de misdaad oplost, en dat mensen elkaar om het minste geringste de huid volschelden – en in een interview met NRC Handelsblad vraag je je af of het niet tijd wordt dat we allemaal samen de beschaving, die in Nederland toch altijd diep geworteld is geweest, overeind proberen te houden om te voorkomen dat het hier een soort Wild West wordt.

Zo kwam ik op Guusje ter Horst, en op de vraag of zij misschien ook zo’n keerpunt achter de rug heeft, omdat ze in het vraaggesprek niet alleen de beschaving miste, maar ook de humor (‘De humor lijkt wel weg’, luidde de kop boven het gesprek): twee artikelen die er volgens haar vroeger wel geweest moeten zijn.

Lofredes op het verleden?

Dat kan natuurlijk. Maar het kan ook heel goed zijn dat de minister gelijk had, en dus nog lang niet oud is. Met het poedertje van de jongen uit die deux chevaux was mijn vrouw trouwens in twee dagen beter, en ze leeft nog steeds.

Lees alle oude columns van Jan Blokker op de site: nrcnext.nl/blokker