God, seks en postkantoor

Er was een tijd dat de staat meende het Opperwezen te moeten beschermen tegen belediging. Om precies te zijn is dat 76 jaar geleden, want het was in 1932 dat de wet tegen ‘smalende godslastering’ van kracht werd. Van vroeger tijden dateert ook de gedachte dat de volksvertegenwoordiging de hoeder is van de publieke moraal. Zoals ook economische regulering waarbij sommige onderdelen van de markt, zoals de post, waren ondergebracht in een staatsmonopolie, niet meer van deze tijd is.

Niettemin stonden deze restanten van de oude ordening van de Nederlandse samenleving vorige week op de agenda van de volksvertegenwoordiging. De afschaffing van het artikel dat het beledigen van God verbiedt, de invoering van een verbod op seks met dieren en de gevolgen van het opheffen van de laatste 250 zelfstandige postkantoren kwamen aan de orde als monumenten van een vervlogen tijd. Of zoals Kamerlid Vos (PvdA), verwijzend naar Bob Dylan, opmerkte: „De tijden zijn in verandering.”

Staatssecretaris Heemskerk (Economische Zaken, PvdA) verwierp terecht de claim van de SP en van GroenLinks dat de overheid nog een bijzondere verantwoordelijkheid zou hebben voor de 1.900 medewerkers van postkantoren die zullen moeten afvloeien. Zij zullen door de gebruikelijke instanties van baan naar baan worden begeleid, zoals dat tegenwoordig heet.

De liberalisering van de post zal naar verwachting voor de zomer haar beslag krijgen bij de behandeling van de Postwet. Natuurlijk is het van belang dat service en dienstverlening van postkantoortjes met name in kleine winkels op het platteland in stand blijft, maar dat is uiteindelijk een kwestie van vraag en aanbod.

Dat geldt ook voor de handel in dierenporno. Het Kamerlid Waalkens (PvdA) wilde eerst in een initiatiefwet ‘seks met dieren’ strafbaar stellen. Het behoeft geen betoog dat het hier om verwerpelijk handelen gaat. De vraag was alleen of een wettelijk verbod het juiste antwoord is.

Al snel bleek bijvoorbeeld dat de Nederlandse bio-industrie voor een belangrijk deel afhankelijk is van kunstmatige inseminatie, waarbij seks met dieren onvermijdelijk is. Zo moest Waalkens uitwijken naar de formulering „ontucht met dieren”. Terecht stelden daarom GroenLinks en de Partij voor de Dieren dat het Waalkens eigenlijk ging om het beschermen van de zeden.

De PvdA werkte zich ook met het voorstel om de godslastering uit het Wetboek van strafrecht te schrappen in een lastig parket. Kamerlid Heerts stelde zich op het juiste standpunt dat het artikel 137c, tegen belediging, voldoende bescherming biedt. Maar de PvdA laat het bij deze symbolische stellingname, om de lieve vrede in de coalitie te bewaren. De minister van Justitie mag van de fractie zelf uitmaken wanneer hij aan de wens van de Kamer tegemoetkomt. Dat valt te betreuren. De wet uit 1932 is een dode letter. Maar het artikel behelst wel een ongelijke bescherming van gelovigen en niet-gelovigen. Een Kamermeerderheid wil daaraan een einde maken. Nu moet de PvdA nog de moed hebben het te doen.