De macht van Tibet

China mag dan een industriële supermacht zijn, als gastheer van de Olympische Spelen kan het zich niet veroorloven Oostindisch doof te blijven voor kritiek op het geweld dat het de afgelopen dagen heeft ontketend om opstandig Tibet weer in het gareel te krijgen. Voor de public relations van het grootste sportevenement ter wereld, dat ondanks het beweerde tegendeel óók een politieke parade is, is er zelfs geen beroerdere plek voor onrust denkbaar dan Tibet. De solidariteitsbeweging met Tibet en de Dalai Lama, die sinds 1959 in ballingschap leeft, is uitgegroeid tot een wereldwijd netwerk waarin talloze bekende wereldburgers een rol spelen. In Tibet komt namelijk veel samen dat hen bindt: onder meer mensenrechten, zelfbeschikkingsrecht en boeddhisme.

In Tibet zelf zijn de omstandigheden ook explosiever geworden. Het economische en culturele beleid van Peking is er in toenemende mate een affront. De Han-Chinezen, die zich op aansporing van de regering hebben gevestigd in Tibet, profiteren onevenredig van de welvaartsgroei. Tegelijkertijd doet Peking er alles aan om de theocratische tradities van Tibet te ontmantelen en het land in China te integreren, reden voor de Dalai Lama om gewag te maken van „culturele genocide”. De opstand die zich nu in Tibet af tekent, is dus niet louter en alleen gepland wegens de Olympische Spelen.

De vraag is hoe China nu zal opereren. Toegeeflijkheid lijkt uitgesloten, al is het maar omdat China geen precedent wil scheppen voor andere minderheden. Bovendien heeft president Hu Jintao ervaring. In 1989, toen de Tibetanen ook de straat op gingen, was hij de gouverneur die het verzet de kop indrukte.

Bovendien is er nog zoiets als patriottische trots. China is druk doende zijn militaire macht op moderne leest te schoeien. Er wordt veel geld gestoken in cavalerie, marine, luchtmacht en raketten voor alle afstanden. In Tibet heeft China weinig aan deze technologie, die dan ook is bedoeld om Japan, India, Rusland en de VS af te schrikken. Maar de herwaardering van het militaire apparaat illustreert wel dat China geen verantwoording wenst af te leggen aan het Westen.

Dat plaatst datzelfde Westen voor een dilemma. IOC-voorzitter Rogge heeft dat probleem vooralsnog ondervangen door zijn „bezorgdheid” te uiten. Minister Koenders (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) deed iets vergelijkbaars door de gebeurtenissen in Tibet „ernstig en dramatisch” te noemen. Maar zijn collega Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) onderneemt nog geen stappen omdat gezamenlijk Europees optreden effectiever wordt gevonden.

Dat klopt. China is economisch en politiek te groot voor Nederland, dat hooguit de ambassadeur in Den Haag kan ontbieden. Maar China is niet te groot voor Europa. Aan Verhagen en zijn collega’s de taak om de EU op één lijn te krijgen en China te bewegen geweld tegen vreedzame betogers te staken. Zo niet, dan moet Europa nadenken over de vraag of en hoe de Olympische Spelen een platform kunnen bieden om de weerzin jegens het geweld openlijk vorm te geven.