De idylle wordt weer eens ernstig verstoord

Een crisis in Tibet, dat past niet in de wensdroom van de Chinese president Hu Jintao.

Want het Westen volgt alles in Tibet, dankzij Brad Pitt en de Dalai Lama.

De directies van de Chinese reisbureaus volgen knarsentandend het nieuws over de crisis in Tibet. De Tibetaanse Autonome Regio in China is dit weekeinde voor onbepaalde tijd op slot gegaan, nadat het Chinese leger daar met zwaar materieel is opgetreden tegen demonstrerende monniken en woedende Tibetanen, die zich achtergesteld en onderdrukt voelen door de Han-Chinese bestuurders.

Uitgerekend in de maand dat de nieuwe campagnes zijn gelanceerd om Chinese en buitenlandse toeristen te verleiden om tijdens dit Olympische jaar ook naar Lhasa, de hooggelegen hoofdstad van Tibet, te reizen, wordt de idylle van de „harmonieuze samenleving” ernstig verstoord. Lhasa, of beter de oude Tibetaanse wijk, is een belegerde stad waar een avondklok is ingesteld.

Deze wensdroom van de Chinese president Hu Jintao, de voormalige partijsecretaris van Tibet, verhoudt zich niet met beelden van zwaargewapende soldaten, die met vrachtwagens tegelijk worden aangevoerd, brandende politieauto’s en plunderende jongeren, die onder meer het kantoor van de Bank of China, een toeristenbus en Chinese winkels hebben vernield.

Deze tv-flitsen kregen dit weekeinde een dramatische lading door oncontroleerbare berichten over een snel stijgend dodental – van twee op vrijdag naar tachtig op zondag – onder de etnische Tibetanen. De Chinese media meldden tien doden en lieten in het midden of dat Tibetanen of etnische Chinezen waren. Er is ook geschoten, maar of er gericht op ongewapende demonstranten is gevuurd, zoals is gesuggereerd, is onduidelijk.

De voorzover bekend enige buitenlandse journalist in de stad, de Pekingse correspondent van The Economist James Miles, kon „geen overtuigende getuigenissen” optekenen „van ernstig bloedvergieten”, zoals wel het geval was in 1989. Of het dus werkelijk om de zwaarste rellen in twintig jaar gaat, zoals organisaties als Free Tibet en Save Tibet claimen, is de vraag. Op welke informatie die toenemende dodentallen berustte, bleef in het midden. Tachtig doden –en hun rouwende families verberg je niet zomaar, ook de Chinezen niet.

De onduidelijkheid hierover is mede een verklaring voor de zeer terughoudende officiële, buitenlandse reacties. De VS, Japan, Zuid-Korea en de Europese Unie drongen slechts aan op Chinese „terughoudendheid”. De Nederlandse minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking (PvdA) noemde de ontwikkeling „ernstig en dramatisch”.

Volgens de Britse journalist Miles, toevallig aanwezig in een gespannen, angstig Lhasa, wijst alles erop dat de gebruikelijke, jaarlijkse herdenking van de eerste grote opstand tegen het Chinese bestuur in 1959 door etnische Tibetanen is aangegrepen om te protesteren tegen hun achterstelling door de etnische Hui-Chinezen, overwegend moslims.

De vraag kan gesteld worden waarom de kwestie-Tibet tot zoveel internationale opwinding leidt. Tien, dertig, tachtig doden. Er sneuvelen met grote regelmaat per week meer Palestijnen in de Gazastrook of Irakezen in Bagdad zonder zoveel ophef te creëren. En Tibet is beslist niet de enige regio waar het Chinese bestuur omstreden is, de moslims in de westelijke provincie Xinjiang roeren zich ook.

De Olympische Spelen vormen een deel van de verklaring. China wil de wereld en zichzelf een volstrekt a-politiek sportfeest cadeau geven en presenteert zich als een vredelievende, harmonieuze supermacht in opkomst. Alles wat dat beeld verstoort, is onwenselijk, zelfs als geen moment de eenheid van China in gevaar is. Tibet is ook geen Birma. In Lhasa is dit weekeinde geen voor Peking bedreigende beweging ontstaan. De Tibetanen, ook de Dalai Lama, streven niet naar onafhankelijkheid, maar naar meer autonomie en dus vrijheid ten opzichte van Peking.

Misschien ligt het antwoord besloten in de stapels brochures die klaar liggen op het reisbureau op de hoek van HuaiHai Lu en Henghsan Lu in Shanghai. Geen regio die ook in China zo tot de verbeelding spreekt als Tibet. Tijdens een koele morgenstond, in gewijde stilte, de processies volgen van de monniken met hun bronzen, verweerde gezichten en gehuld in roodbruine kleden. Drie, vier dagen duren die trips meestal, korte onderdompelingen in een devote, mystieke sfeer in een decor dat wordt gevormd door de Himalaya en de woestijn. Tegenwoordig ook makkelijk bereikbaar per trein, hoewel de meeste toeristen uit Shanghai het vliegtuig kiezen.

Iedere toerist, Amerikaanse of Europese backpacker of welvarende student uit Shanghai, wordt aangetrokken door de mystiek van een eeuwenlang ontoegankelijk, geheimzinnig gebied, waar de lucht zo ijl is dat iedere inspanning vermeden dient te worden. De westerlingen hebben meestal Seven Years In Tibet gezien, de avonturenfilm van Jean-Jacques Annaud uit 1997 met Brad Pitt als de Oostenrijkse bergbeklimmer (en nazisympathisant) Heinrich Harrer, die de Dalai Lama vertelt over de grote boze buitenwereld en Engelse les geeft.

Iedereen heeft de boeddhistische kloosters, het imponerende Potala-paleis en Yamdrok Tso, een heilig meer tussen met eeuwige sneeuw bedekte, majestueuze bergtoppen, op het programma staan. Dat Tibet eeuwenlang ontoegankelijk was – en eigenlijk nog steeds een dankzij de Chinese bureaucraten moeilijk bereikbaar deel van de wereld is – heeft alleen maar bijgedragen aan de mythevorming.

De westerlingen kennen meestal de geschiedenis van de Chinese overheersing sinds Mao het Chinese Volksleger in 1950 opdracht gaf Tibet feitelijk te annexeren.

Voor Chinezen is die geschiedenis met duizenden doden en de verbanning van de Dalai Lama met zijn bijna goddelijke status diffuser. Die Dalai Lama speelt een sleutelrol in de verklaring waarom de Tibetaanse kwestie zoveel aandacht krijgt. Hij kreeg in 1989 de Nobelprijs voor de Vrede, reist de hele wereld af en is bevriend met Amerikaanse presidenten en Duitse kanseliers.

Dat de bejaarde geestelijke een met Ghandi vergelijkbare boodschap over vrede tussen volkeren verkondigt, versterkt zijn aantrekkingskracht. Eén monnik tegenover een wereldmacht in opkomst, één man tegenover duizenden anonieme, rücksichtslose communistische bureaucraten, een clan die uitsluitend oog heeft voor het materiële hier en nu. Dat spreekt aan.

Zijn reactie gisteren was typerend: hij gunde China de Olympische Spelen van harte, hij sprak zich in het Noord-Indiase Dharamsala uit tegen een boycot van ‘Beijing 2008’, maar vroeg wel om een onderzoek naar de „culturele genocide” die China op Tibet aan het plegen is en naar de discriminatie van de Tibetanen.

De Dalai Lama doelde niet alleen op het grootschalige legeroptreden, maar ook op de integratie van het eeuwenoude Tibet met 2,6 miljoen inwoners in het moderne China. Met kapitaal, menskracht en infrastructuur wordt Tibet ingelijfd; Tibetanen maken deel uit van het Nationale Volkscongres en studeren in de Chinese oostkuststeden. Jonge Tibetanen zijn al net zo materialistisch als hun Chinese leeftijdsgenoten.

Ongetwijfeld zullen, als het leger en de politie zich hebben teruggetrokken, de miljoenen yuans naar Tibet stromen, onder andere om nog meer hotels en restaurants te bouwen. Voor de toeristen die met vliegtuigen tegelijk komen, als de deur naar „het dak van de wereld” weer is geopend.

    • Oscar Garschagen