Beloon leraren goed, maar niet naar prestatie

Leraren belonen naar prestatie leidt tot willekeur en onderlinge competitie, niet tot beter onderwijs, zeggen Laurens van de Boezem en Mark Peletier.

Op 26 maart gaat het onderwijs staken. Leraren en leerlingen willen meer geld en een betere positie op school. Begrijpelijk. Zeker de hoger opgeleide leraren verdienen tot wel 48 procent minder dan hun studievrienden in het bedrijfsleven (Nota Werken in het onderwijs 2007). Minder gebruikelijk is de roep om een juridisch verankerde positie. Op de lange termijn kan deze eis echter wel eens van veel groter belang blijken te zijn.

Het actieplan van minister Plasterk behelst de prestatiebeloning. De leidinggevende krijgt zeggenschap over het loonstrookje van de leraar. Formeel is er sprake van beloning naar prestatie. In het onderwijs bestaan echter geen nauwkeurig en objectief meetbare prestaties. Het plan nodigt daarom uit tot willekeur.

Wil prestatiebeloning succesvol zijn, dan moet aan drie voorwaarden voldaan zijn: een financiële prikkel moet leiden tot een betere prestatie, deze prestatieverbetering moet nauwkeurig te meten zijn, en de verbetering moet ook te herleiden zijn tot de individuele leraar.

Aan deze drie eisen voldoet onderwijs niet. Om te beginnen zijn in het onderwijs de prestaties van een leraar op geen enkele manier objectief te meten. Slagingspercentages, bijvoorbeeld, zijn ongeschikt: in de pre-examenjaren zeggen die meer over het cijferbeleid van de leraar dan over de kwaliteit van het onderwijs en eindexamencijfers zeggen meer over het meerjarige traject naar het eindexamen toe dan over het laatste jaar. Enquêtes van leerlingen voldoen evenmin: die correleren vooral met de aantrekkelijkheid en alweer het cijferbeleid van de leraar.

In alle onderzoeken blijkt bovendien dat hoewel de leraar een grote invloed heeft op de leerresultaten, andere factoren van veel groter belang zijn, zoals achtergrond, inzet, peergroup en elders verworven kennis en vaardigheden. Daardoor zijn goede of slechte leerresultaten nauwelijks tot de groep leraren te herleiden – en al helemaal niet tot een individuele leraar.

De eerste voorwaarde: wil een financiële prikkel leiden tot een betere prestatie, dan moet de werknemer wel tot die betere prestatie in staat zijn. Daarom is prestatiebeloning bruikbaar om werknemers aan te sporen tot sneller werk, maar niet tot beter werk, zolang het betere niet meetbaar is. In het onderwijs is geen kwaliteitswinst te behalen door leraren sneller te laten werken. Prestatiebeloning werkt dus niet in het onderwijs en is waarschijnlijk zelfs schadelijk.

De diploma-inflatie in het hoger onderwijs is een direct gevolg van de outputfinanciering, hetgeen feitelijk een vorm van prestatiebeloning is voor onderwijsinstellingen. Het toont aan hoe prestatiebeloning in de praktijk ten koste kan gaan van de onderwijskwaliteit, alle goede bedoelingen ten spijt.

Bovendien staat binnen een school de totale som van de salarissen vast, en gaat de bonus van de één dus ten koste van het salaris van de ander. Leraren staan daarmee in directe competitie met elkaar, en dit gaat ten koste van de collegialiteit binnen het team. Waarom zou je nog je aantekeningen uitlenen, als daardoor de bonus naar je collega kan gaan?

In een dergelijk systeem zullen slecht presterende leerlingen of klassen een zwarte piet blijken te zijn, die het beste aan de collega kan worden doorgespeeld. In de selectieve deelname aan de Cito-toetsen zien we al hoe sommige scholen reageren op zwakke leerlingen: het belang van de leerling is daarbij ondergeschikt aan het belang van de school.

Het rapport van Rinnooy Kan is glashelder: geef het onderwijs aan de leraar, en veranker diens positie en salaris in de wet. Onze voorbeelden laten zien hoe belangrijk dit is. Met prestatiebeloning zet Plasterk een stap in de verkeerde richting. Prestatiebeloning verandert het onderwijs in een fabriek, waarin ‘het systeem’ de leraar stimuleert om de leerling niet te zien als een mens die zich ontplooit, maar als een vinkje op de balanced scorecard. In een dergelijke school wil geen leraar werken en geen leerling leren.

Laurens van de Boezem is hbo-docent; Mark Peletier is bestuurslid van de Vereniging Beter Onderwijs Nederland.

    • Mark Peletier
    • Laurens van de Boezem