Alweer een computerstoring?

Automatiseringsfiasco’s bij overheid en bedrijfsleven volgen elkaar razendsnel op.

Beleidsmakers beseffen niet dat software de groei van hardware niet kan bijbenen.

Ilustratie Cyprian Koscielniak Koscielniak, Cyprian

De belastingaangifte 2007, de Roertunnel van de A73, de ov-chipkaart, de stemmachines, de operatie-Walvis: het is een rijtje dat bij het publiek bekendheid geniet als afleveringen van de automatiseringssoap van de Nederlandse overheid. Analisten vallen over elkaar heen met verklaringen in de sfeer van politieke, ambtelijke en organisatorische blunders. Die eenzijdige verklaringen maken duidelijk dat er een collectief gebrek aan inzicht is in de ongemakkelijke waarheid van automatiseringsproblemen: software is niet tot alles in staat.

Het fenomenale succes van de hardware-industrie heeft ervoor gezorgd dat computers tot alle sectoren van de samenleving zijn doorgedrongen. Computers maken deel uit van onze infrastructuur en dienstverlening en – vanwege hun krimpende omvang – van bijna elk denkbaar product. Tegelijkertijd is de omgang met software niet ons sterkste punt. Het probleem zit hem erin dat de ontwikkeling van de software die van de hardware niet kan bijbenen. De rekenkracht van televisies (hardware) verdubbelt bijvoorbeeld elke twee jaar. Er moet dan twee keer zoveel software worden geschreven om de tv te programmeren – en dat is praktisch bijna onhaalbaar. Deze zogenoemde design gap wordt steeds groter. Tegelijkertijd wekt de nieuwste hardware wél allerlei verwachtingen bij het publiek, die door de achterblijvende software niet kan worden waargemaakt.

Een tweede probleem is de ontoereikendheid van tests als methode voor kwaliteitscontrole. Zelfs het kleinste computerprogramma kan op onvoorstelbaar veel manieren worden uitgevoerd, waardoor zelfs de meest uitgebreide tests van een complex softwaresysteem tekortschieten: zij onderzoeken nooit meer dan een minieme fractie van het mogelijke gedrag. Toch vormen tests nog steeds de belangrijkste methode om de kwaliteit van softwaresystemen te waarborgen.

Onbekendheid met deze fundamentele problemen leidt tot een blinde vlek die het oordeelsvermogen vertroebelt van managers en beleidsmakers die over automatisering beslissen. Hun pc thuis lijkt redelijk te werken, dus gaan ze ervan uit dat de automatiseringsproblemen op iets grotere schaal ook zo oplosbaar zijn.

Het moge duidelijk zijn: niets is minder waar. Problemen blijken hardnekkiger dan gedacht maar worden – juist door die blinde vlek – toegeschreven aan vage, externe factoren. Kortom: er is een groot gebrek aan inzicht in de haalbaarheid van automatiseringsdoelstellingen.

De problemen die voor het grote publiek zichtbaar zijn geworden, vormen slechts de top van de ijsberg. Onze verslaving aan software valt niet meer ongedaan te maken, en er rest de samenleving uiteindelijk geen andere keuze dan grootscheeps te investeren in het betrouwbaar maken van al die softwaregestuurde systemen die ons leven steeds meer bepalen.

Een werkbare oplossing begint met het besef bij beleidsmakers en managers van de ongemakkelijke waarheid over software. De volgende stap is het dichten van de kloof tussen zowel de hardware en software als tussen de wensen van het publiek en de realiteit. Het succesvol nemen van die stappen vereist het gebruik van nieuwe technieken voor het maken van betrouwbare systemen, en de verbetering van de organisatie van ontwerp- en ontwikkelprocessen.

Het ongrijpbare – voor velen onbegrijpelijke – karakter van software maakt dat zulke investeringen niet altijd even gemakkelijk te bepleiten zijn als die voor maatschappelijke vraagstukken, zoals rond klimaat, milieu, mobiliteit en zorg. Maar ook oplossingen voor die kwesties zijn in wezen afhankelijk van de beschikbaarheid van een betrouwbare software-infrastructuur.

Ed Brinksma is directeur van het Embedded Systems Institute, een onderzoeksinstituut dat zich bezighoudt met de integratie van hardware en software.

    • Ed Brinksma