Withitte

Karel Knip

fotodienst nrc handelsblad NRC Handelsblad

Een vreemd idee is dat, dat wij pas tachtig jaar weten hoe oud de aarde ongeveer is. Rond 1927 kwam op grond van metingen aan radioactief verval vast te staan dat het een paar miljard jaar moest zijn. Later is dat gepreciseerd tot een waarde van 4,5 miljard. Het idee dat radioactief verval uitsluitsel zou kunnen geven was al rond 1904 geopperd door Rutherford.

In de negentiende eeuw waren, bij gebrek aan beter, andere hulpmiddelen gebruikt om te komen tot een schatting. Men rekende aan de snelheid waarmee sedimenten waren afgezet, aan de snelheid waarmee de zee zo zout kon zijn geworden en aan de erosie van allerlei landschap. Ook vernuftig was de gedachte van George H. Darwin om de invloed van de maan en de getijden op de omwentelingssnelheid van de aarde als maat te gebruiken. Vader Charles Darwin zat met het probleem dat de evolutie zoals hij zich die voorstelde niet in een paar duizend jaar kon hebben plaatsgevonden.

Het meeste gezag werd in de negentiende eeuw toegekend aan ouderdomsbepalingen die berustten op berekeningen aan de snelheid waarmee de aarde moest zijn afgekoeld. Men nam aan dat de aarde ooit vloeibaar was geweest, anders kon hij niet zijn afgeplat. Gerenommeerde wetenschappers hielden zich ermee bezig. William Thomson, de latere Lord Kelvin, kwam na rijp beraad op een leeftijd van zo’n honderd miljoen jaar. Clarence King bracht het in 1893 weer terug tot 24 miljoen jaar.

De veelzijdige Franse geleerde Buffon was al een eeuw eerder met dit werk begonnen. Hij had in eigen gieterij tien verschillende ijzeren kogels van opklimmende diameter laten gieten en mat hoe lang het duurde voor ze vanuit een toestand van roodgloeiendheid tot handwarm afkoelden. Hij vond een mooi lineair verband tussen afkoeltijd en diameter. Omdat hij precies wist wat de diameter was van de aarde kon hij berekenen hoe lang het had geduurd voor de aarde van roodgloeiend tot handwarm afkoelde: 75.000 jaar. Later heeft hij nog een correctie aangebracht voor het inzicht dat de aarde niet van ijzer is.

Op Buffons niveau staat het kleine onderzoek waarmee het AW-labo zich deze week heeft beziggehouden. Binnenkort is het weer Pasen. Links en rechts worden paasbomen en paaskaarsen aangeboden, de kiosk verkoopt paaskaarten en de banketbakker werkt aan zijn paaskrans. De landelijke eiafzet groeit naar zijn jaarlijkse maximum.

Nu heeft ingenieur M.H. in Roden een vraag. Het is bekend, laat hij weten, dat het doorzichtige wit van een ei stolt bij ongeveer 65 graden en het geel bij 75 graden. De irreversibele omslag van vloeibaar naar vast gaat verbazend abrupt, bijna momentaan. Je kunt een ei een dag in een teil water van 60 graden leggen zonder dat er iets stolt of merkbaar verandert. Een paar seconden boven 70 en het wit is hard. Een paar graden verder en het geel gaat mee. Die snelheid is vandaag de crux.

Als een consumptie-ei in water van honderd graden wordt gebracht dringt de hitte van het water langzaam door de schaal van buiten naar binnen, van periferie naar centrum. Eerst wordt het wit warm, dan het geel. Er zijn dus twee redenen te bedenken waarom je wél een gekookt ei kunt krijgen waarvan het wit hard is en het geel niet maar nooit andersom.

In Roden was de vraag: zou je in een ei waarvan het wit gestold is, maar het geel nog niet, het geel alsnog aan het stollen kunnen krijgen uitsluitend op kosten van de warmte die in het wit ligt opgeslagen? Dus zonder extra warmtetoevoer van buitenaf? Zodra de hitte het wit heeft doen stollen is die daar niet meer nodig en zou zij doorgestuurd kunnen worden naar het geel. Leidend principe daarbij is dat warmte altijd van hoog naar laag stroomt, anders gezegd dat het niet van warm naar warmer trekt (al zou dat mogen van de eerste hoofdwet van de thermodynamica). Daarmee is de warmtestroom te sturen. Je zou het ei uit zijn kookwater kunnen vissen zodra (volgens de ervaring) het wit gestold is en dan zo goed mogelijk geïsoleerd kunnen laten nagaren. Vroeger had je daar de gepunnikte eiermuts voor.

Zou de muts de witwarmte in voldoende mate kunnen doorsturen naar het geel? Sinds Joseph Fourier (1822) is dit in principe te berekenen als thermische geleidbaarheid en soortelijke warmte bekend zijn. Vorige week slaagden Belgische wiskundigen er nota bene in uit te rekenen hoe groot de zuurstofspanning is in het zachte hart van een rijpe peer. Nu kunnen zij het verrotten beter voorspellen. Maar het is geen makkelijk rekenwerk.

Er leek niets op tegen de proef op de som te nemen. Bij Albert Heijn werden twee dozen eieren uit de A-klasse ingeslagen. Verse eieren met een graad van diervriendelijkheid die per abuis niet is genoteerd. Na een verblijf van precies 5 minuten in kokend water had zo’n A-klasse-ei, als het gewoon op een bord aan de open lucht had kunnen afkoelen nog een dooier die bijna helemaal vloeibaar was. Het wit was hard. Maar waren de eieren na de genoemde vijf minuten snel ingepakt in een dikke laag watten dan had het eigeel na een uurtje al zijn vloeibaarheid verloren. Net zo hard als het wit.

Mission accomplished. De withitte is doorgezonden naar het geel. Of is iets over het hoofd gezien?