Tussenstand: 150.000 doden

De laatste aanslagen in Algiers dateren alweer van december. De grote geweldsgolf is voorbij. De regering van Algerije heeft de fundamentalisten onder controle. Ze gebruikt dezelfde smerige tactieken als terroristen. „Dat is de tragiek.”

Een politiestation in Naciria, op 50 kilometer van Algiers, raakte op 2 januari bij een aanslag zwaar beschadigd. Drie mensen werden gedood Foto AP Rescuers and policemen work in a cordoned off area after a police station was seriously damaged in a bomb blast, seen at rear, in Naciria, in the Boumerdes region, 50 kilometers (31 miles) east of Algiers, Algeria , Wednesday, Jan. 2, 2008. Three people were killed and 7 other injured when a large car sped toward a police station and exploded at its doors early Wednesday morning, according to witnesses in a town east of the Algerian capital. (AP Photo/Ouahab Hebbat) Associated Press

Wegversperringen, bemand door geconcentreerd kijkende agenten, zijn een vertrouwd beeld in Algerije. Op de boulevard Ernesto Che Guevara, in de hoofdstad Algiers, houden mannen in donkerblauwe uniformen de auto’s aan. Op vier verschillende plaatsen langs de weg staan collega’s met automatische wapens in de aanslag. De Algerijnse hoofdstad werd getroffen door een serie dodelijke aanslagen, die wordt toegeschreven aan Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb. Op 11 december vorig jaar ontploften de twee laatste bommen, bij het Constitutionele Hof en een gebouw van de Verenigde Naties.

„Ik zou me niet te veel zorgen maken”, zegt Ferhat (26), receptionist van een klein hotel in het centrum van Algiers. „Alles bij elkaar valt het best mee met het gevaar.” Blijmoedig vertelt hij dat de Algerijnse hoofdstad meestal alleen op de elfde van de maand door een aanslag wordt getroffen. Dan kijkt hij op zijn horloge en is het even stil. Het is vandaag de elfde. Met een zure lach herstelt hij zich. „De veiligheidsdienst doet goed werk. Geloof mij, vandaag gebeurt er niks.”

De vele agenten op straat maken duidelijk dat de situatie in Algiers gespannen is. Voor de rest gaat het dagelijks leven rustig zijn gang. In het centrum bepalen witte gebouwen uit de Franse koloniale tijd het straatbeeld. Vrouwen met en zonder hoofddoek lopen zij aan zij door de winkelstraten. Bij de marinebasis in de haven wappert de Algerijnse vlag. Even verderop ligt de veerboot uit Marseille.

Algerije ontworstelt zich langzaam aan een wrede burgeroorlog. Nadat de zittende regering in 1992 de verkiezingsoverwinning van het fundamentalistische Islamitisch Heilsfront (FIS) ongeldig verklaarde, begonnen radicale splintergroepen een terreurcampagne. Algiers was vijftien jaar geleden te vergelijken met Bagdad nu. Vrijwel dagelijks werd de stad opgeschrikt door aanslagen en moordpartijen. Soms waren er nachten waarin honderden mensen werden afgeslacht. De afgelopen jaren is het geweld afgenomen, maar nog steeds vallen er wekelijks doden.

Islamitische extremisten namen als eersten de wapens op, maar naarmate de oorlog vorderde trad het regeringsleger vaak even wreed op. Martelen kwam volgens Amnesty International op grote schaal voor. Algerijnen die openlijk de regering kritiseerden, waren hun leven niet zeker. Bijna iedere Algerijn is ervan overtuigd dat de geëngageerde zanger Lounes Matoub in 1998 niet door fundamentalisten maar door de veiligheidsdienst werd vermoord.

„Het is schandalig hoe de Algerijnse overheid de afgelopen jaren is opgetreden tegen de eigen bevolking”, zegt Fatima Yous (73) van SOS Disparus, een organisatie die zich inzet voor vermiste Algerijnen. „We hebben meer dan 8.000 dossiers van landgenoten die werden gearresteerd door de politie of de veiligheidsdienst en van wie nooit meer iets is vernomen.” De organisatie Somoud die zich inzet voor Algerijnen die verdwenen door acties van fundamentalisten, heeft ongeveer 10.000 dossiers.

Yous, een gezette vrouw met blond haar, houdt kantoor in het centrum van Algiers. Aan de muren hangen honderden kleurenfoto’s van vermiste Algerijnen. Ze is de grootmoeder van Amine Amrouche, die tot zijn verdwijning bij haar in huis woonde. „Op 30 januari 1997 ging hij naar de videotheek om een film te huren”, vertelt ze. „Onderweg werd hij opgepakt door agenten in burger.” Toen Yous naar het lokale politiebureau ging om navraag te doen, ontkenden de agenten de arrestatie. „Later hoorde ik van een bevriende agent dat hij wel degelijk een maand op het politiebureau heeft vastgezeten. Wat er daarna is gebeurd, weet niemand.”

Samen met andere moeders en grootmoeders protesteert Yous elke woensdag bij het gebouw van de nationale mensenrechtencommissie in Algiers. Ze worden al de Algerijnse dwaze moeders genoemd, in navolging van de moeders die in Argentinië opheldering vroegen over hun verdwenen familieleden. Yous tast in het duister over de mogelijke motieven achter de verdwijningen. „Van sommige vermiste Algerijnen is bekend dat ze connecties hadden met de fundamentalisten”, zegt ze. „Dat gold niet voor mijn kleinzoon. Hij interesseerde zich helemaal niet voor politiek.”

De contraterreur van de Algerijnse overheid doet denken aan de manier waarop de Fransen tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog optraden. Zeker een miljoen Algerijnen kwam tussen 1954 en 1962 om het leven. De Italiaan Gillo Pontecorvo maakte daarover in 1966 de beroemde film La Battaglia di Algeri (De slag om Algiers). De cynische boodschap van deze klassieker is dat terreur alleen maar succesvol is te bestrijden is door dezelfde smerige tactieken toe te passen.

La Battaglia di Algeri is ook populair bij westerse inlichtingendiensten, zo vertelt een diplomaat in Algiers. Op militaire academies overal ter wereld wordt de film ingezet als lesmateriaal. De CIA schijnt de film gebruikt te hebben bij het ontwikkelen van een contratereurcampagne in Irak. Internationale afspraken over mensenrechten werken verlammend in de strijd tegen terrorisme, zo laat La Battaglia di Algeri zien. Die opvatting wordt door steeds meer militaire strategen serieus genomen.

„Het echte probleem in Algerije is dat een veelbelovend democratiseringsproces om zeep is geholpen”, zegt politicologe Nadjet Bouda (28) in een café in de wijk El Biar waar bezoekers op kussens op de grond zitten. Ze vindt dat de fundamentalisten van het FIS na hun verkiezingsoverwinning de kans hadden moeten krijgen om te regeren. „Ik ben het niet eens met hun ideeën over de islam”, zegt de kleine vrouw zonder hoofddoek. „Maar als een partij de meerderheid van de stemmen haalt, hoort ze te regeren. Dat is democratie.”

„Westerse landen riepen destijds voortdurend dat het Midden-Oosten moest democratiseren”, zegt Bouda. „Maar toen de fundamentalisten dreigden te winnen, fluisterden diplomatieke kringen dat Algerije nog niet klaar was voor democratie.” In de westerse media werd Algerije een tweede Iran genoemd. „Vrijwel niemand in Europa protesteerde toen de verkiezingen ongeldig werden verklaard.”

„Algerije had een voorbeeld kunnen zijn voor het hele Midden- Oosten”, zegt Bouda. „De fundamentalisten van het FIS waren in een democratische omgeving vanzelf gematigder geworden.” Dat de fundamentalisten de democratie zouden gebruiken om de democratie te vernietigen, vindt ze onzin. „We hebben ook nog een grondwet.”

Iran is een van de weinige islamitische landen waar fundamentalisten erin slaagden de plaats in te nemen van een min of meer seculier regime. Dat gebeurde met geweld. De enige manier om aan de macht te komen, zo concludeerden steeds meer islamitische radicalen na de verkiezingen in Algerije, was via geweld. Velen trokken naar Algerije om de fundamentalisten bij te staan.

De Nederlandse pater Jan Heuft woont al bijna veertig jaar in Algiers. In de jaren negentig was hij een van de weinige westerlingen die geen gehoor gaven aan de oproep van Europese regeringen om het land wegens de verslechterde veiligheidssituatie te verlaten. „Ik wist dat ik risico’s liep”, zegt Heuft (68) in de woonkamer van een katholiek gebouwencomplex langs de Rue de Fusilles. „Zestien andere paters en zusters werden vermoord.”

In de jaren negentig leidde hij in Algiers een doofstommeninstituut. „Als mijn leerlingen ’s morgens naar school kwamen, werden ze soms geconfronteerd met hoofden die op hekwerkpunten waren gespietst.

Het scheelde maar weinig of Heuft was afgelopen december zelf slachtoffer geweest van een bomaanslag. „Ik had op 11 december om half tien een afspraak op het kantoor van de Verenigde Naties. Onderweg ontdekte ik dat mijn auto olie lekte. Ik besloot eerst langs de garage te gaan.” Door het oponthoud was Heuft niet op het afgesproken tijdstip op zijn afspraak. Precies om half tien ontplofte de bom, die aan zeventien VN-medewerkers het leven kostte. „Ik heb geluk gehad”, zegt Heuft.

De recente golf van aanslagen komt voor velen als verrassing. De terreur is nooit helemaal weg geweest, maar beperkte zich de afgelopen jaren tot het onherbergzame berggebied ten zuidoosten van Algiers. Militaire konvooien rijden daar geregeld in hinderlagen. Bijna tien jaar waren er in Algiers geen aanslagen. Totdat eind 2006 een bus van het Amerikaanse bedrijf Halliburton werd beschoten. Daarna volgde een aantal zelfmoordaanslagen.

Het oplaaien van het geweld wordt onder meer toegeschreven aan de nieuw aangeknoopte banden tussen Al-Qaeda en de GSPC, een van de radicale splinters van het FIS. Ook een rol speelt waarschijnlijk de amnestieregeling, waartoe president Abdelaziz Bouteflika in 1999 besloot. Islamitische radicalen die hun wapens inleverden, konden zonder straf hun oude leven hervatten. Velen keerden terug uit de bergen rondom Algiers waar ze zich schuilhielden. Maar uit teleurstelling over de gebrekkige toekomstperspectieven – de werkloosheid is ruim veertien procent – zouden velen de strijd weer hebben hervat.

Iedereen in Algerije beseft dat de veiligheidsdienst de situatie behoorlijk goed onder controle heeft, zegt Majid (33), onderzoeker aan de universiteit van Algiers. De recente toenadering tot de Amerikanen, die diverse bilaterale militaire samenwerkingsprogramma’s met de Algerijnen hebben opgezet, komt het leger goed van pas. Ook is Algerije partner in het Trans Sahara Counter Terrorism Initiative, een Amerikaans militair samenwerkingsprogramma met tien landen in het noorden en westen van Afrika.

„De Islam is een liberale godsdienst”, zegt Majid. „Wij laten ons niet terroriseren door fundamentalisten.” De Algerijnse machthebbers gaan nog een stap verder. Aan democratische omgangsvormen hebben ze absoluut geen boodschap.

„Dat is de tragiek van Algerije”, zegt Majid. „We wilden de democratie redden, maar kwamen daardoor terecht in een dictatuur.”

    • Gerbert van der Aa