Toelatingsbeleid

Illustratie Anki Posthumus Posthumus, Anki

Elk jaar krijg ik mailtjes van ouders die boos zijn over het toelatingsbeleid van de school waar hun zoon of dochter het liefst naar toe had gewild. Die ontevredenheid is logisch, want de belangrijkste stap in de schoolloopbaan van een leerling, de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs, kent allerlei vormen van willekeur.

Het begint al met het vaak omstreden advies van de basisschool. Op de school waar ik ooit werkte werden die adviezen vaak wel, maar vaak ook niet serieus genomen. Dat hing af van de ervaringen met de betreffende school. Onlangs las ik in het blad JM over de klacht dat sommige scholen ronduit slechte adviezen geven. Ondanks het feit dat er in het basisonderwijs gewerkt wordt met leerlingvolgsystemen en er heel wat getoetst wordt, is de kwaliteit van de adviezen blijkbaar nog steeds afhankelijk van de persoon die ze geeft.

Gelukkig is er naast dat advies in de regel ook nog de uitslag op de Cito-toets. Als er een duidelijke discrepantie is tussen advies en toetsscore, hangt het vaak af van de overredingskracht van de ouders welke van de twee het zwaarst gaat wegen.

Allochtone ouders hebben bovendien het probleem dat de capaciteiten van hun kinderen vaak worden onderschat. Uit onderzoek blijkt namelijk dat bij gelijke toetsscores allochtone leerlingen systematisch een lager advies krijgen dan hun autochtone klasgenootjes. Dat is wonderlijk. Alle onderdelen van de toets, ook de rekenopgaven, stellen hoge eisen aan kennis van de taal. Kinderen met een niet Nederlandstalige achtergrond moeten dus slimmer zijn om even hoog te scoren als hun autochtone toetsgenoten. Maar krijgen vervolgens toch een lager advies.

De selectie na de basisschool vormt voor ouders een extra probleem vanwege hun weerzin tegen het vmbo. Die weerzin, hoe zeer ook in strijd met sociaal wenselijk gedrag, is wel degelijk reëel. Het vmbo staat immers nergens voor, het is een verzamelnaam voor 60 procent van alle schoolsoorten, variërend van middensegment tot de allerzwaksten. Wie wil er nou op een school met zo’n nietszeggende benaming zitten? Vroeger maakte geen ouder er een probleem van als zijn kind in de mavo/havo-brugklas werd ingedeeld. Vandaar kon het nog alle kanten op. Maar een vmbo-t/havo-brugklas, dat voelt blijkbaar niet goed. Noem dat beest dus gewoon bij zijn naam: mavo. Scholen hebben lange tijd gemeend dat dit niet mocht, zoals ze ook ten onrechte meenden dat het studiehuis verplicht was. Dat ooit een zekere Netelenbos in haar streven het vbo te ‘upgraden’ alles op één hoop heeft gegooid, hoeft voor scholen toch geen reden te zijn nog steeds hetzelfde te doen.

Tot slot de belangrijkste bron van ergernis: het feit dat de vraag veelal het aanbod overtreft. Scholen selecteren de beste leerlingen die ze kunnen krijgen tot ze vol zitten. Vanuit de scholen bezien is dit logisch, maar de gevolgen ervan voor zowel veel leerlingen als voor het onderwijsbeleid in algemene zin zijn natuurlijk desastreus. Het betekent namelijk dat niet alle potentiële havo- en vwo-scholieren een plaats vinden op dat schooltype, terwijl ze dat wel aankunnen. Voor ouders is het vreselijk te merken dat daar voor hun kind geen plek is, terwijl leerlingen met eenzelfde advies en Cito-score elders in het land wel worden toegelaten. Of dat ze merken dat de score die enkele jaren geleden nog voldoende was voor toelating dat nu niet meer is. Je zou verwachten dat het onderwijsbeleid erop gericht zou zijn het aanbod van onderwijsvoorzieningen aan te passen aan de vraag. Dat gebeurt dus niet. Hoe kun je dan ooit als overheid het onderwijsniveau verhogen.

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick