Sla is een bloem

Tuinontwerper Jan Schep is gespecialiseerd in kleine stadstuinen. Hij vindt dat de sierwaarde van groentes wordt onderschat. „Een boerenkoolstruik is net een klein bonsaiboompje.”

‘Bovenop de ronde toren van De Nederlandse Bank zou ik een mooie eik zetten – dat was bij de Germanen al een typische vergaderboom’ Foto Maurice Boyer Jan Schep heeft een tuinontwerpwinkel Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 080229 Boyer, Maurice

Tuinontwerper Jan Schep (47) houdt van klimplanten. Vanuit zijn tuinwinkel Dubbelgroen kijkt hij uit op de Amsterdamse Czaar Peterstraat die, zoals veel Amsterdamse straten, aan beide zijden beplant is met iepen. Schep: „Aan het begin van deze straat is het net of je in een lange, donkere gang kijkt. Dit is een vrij smalle straat en tussen de oude huizen staan lelijke blokken. Als je tegen de gevels wingerd laat groeien en de iepen weghaalt, dan zou de straat veel lichter zijn en toch groen. Er wordt te weinig nagedacht over groene alternatieven voor bomen in de stad. In een straat als deze zijn magnolia’s of prunussen, die laag blijven en niet zoveel licht aan de woningen ontnemen, veel beter dan iepen.”

Hij legt uit waardoor Amsterdam vol iepen staat: „Langs de grachten stonden oorspronkelijk helemaal geen bomen. Toen werden er linden aangeplant. Maar lindebomen krijgen kleverige bladluis en dat werd na de komst van de auto een probleem, want dat kleefgoedje viel op de auto’s. Er werd dus naar een andere boom gezocht. De iep maakt een penwortel die direct naar beneden gaat, hij wortelt niet oppervlakkig en daarom leek het een geschikte straatboom. Maar de iep heeft als nadeel de iepenspintkever die in snel tempo zorgt dat de boom doodgaat en met alle naburige iepen moet worden gekapt.”

Als het aan Jan Schep lag zouden niet alleen veel stadsgevels door klimplanten aan het oog worden onttrokken, maar bijvoorbeeld ook De Nederlandse Bank aan het Frederiksplein: „Iedereen vindt het een lelijk gebouw, platgooien zou het beste zijn, maar dat gebeurt toch niet. Dus als je er nog iets van wil maken, bekleed de buitenmuren dan met een constructie waartegen wilde wingerd kan groeien, gecombineerd met blauwe regen. Dan ziet het er al beter uit. En bovenop de ronde toren van de bank zou ik een mooie eik zetten – dat was bij de Germanen al een typische vergaderboom.”

Jan Schep is, zegt hij, ‘een echte stadsrat’. Hij is gespecialiseerd in het ontwerpen van kleine stadstuinen, daktuinen en balkons en ook daar werkt hij veel met klim- en leiplanten: „In een kleine tuin kun je daarmee een mooie vertikale begroeiing krijgen die minder ruimte inneemt dan bomen. Ik ben geen Piet Oudolf, ik leg geen grote landschappelijke tuinen aan. Ik werk nu veel in IJburg, dat is booming. Eerst maak ik een basisplan voor een tuin en bespreek dat met de opdrachtgevers. Die komen dan hier in de winkel en dan vullen we de beplanting in en kijken we wat verder mogelijk is. Ik heb net een tuin gemaakt voor mensen in IJburg die een pergola wilden. Omdat ze kleine kinderen hebben, heb ik een pergola ontworpen waaraan ze een schommel kunnen hangen en die tegelijk een klimrek is. Ja, er groeit ook nog wat overheen: druiven en kiwi.”

Volgens Schep krijgen architecten nu steeds meer te maken met mensen die een daktuin willen. „Als je struiken of bomen op een dak wil zetten, dan moet de bouw daar wel op afgestemd zijn. Het gebeurt vaak dat er een huis, of een blok wordt gebouwd en dat de bewoners dan zeggen: Oh leuk, we kunnen een daktuin maken. Maar als de constructie er niet op berekend is, kun je er niets mee.”

Jan Schep heeft zijn tuinontwerpwinkel Dubbelgroen sinds september 2006. „Ik wilde het laagdrempelig houden en daarom ben ik een winkel begonnen en geen tuinontwerpbureau.” De ruimte is tot de nok toe gevuld met een bont ratjetoe aan tuingereedschappen, bollen, zaadzakjes, vogelhuisjes en andere tuinbenodigdheden. Achterin de winkel staat een tafel waaraan hij zijn ontwerpen tekent en met zijn klanten praat. Schep: „Wat de verkoop betreft loopt de winkel nog niet zo denderend, maar ik krijg er wel veel klanten door: mensen zien de winkel, gaan naar mijn website, bellen me op en huren me in om een tuin te ontwerpen of op te knappen. Ik vind het allebei leuk, ik wil niet vijf dagen per week achter de tekentafel zitten. Er lopen hier ook geregeld mensen binnen die advies vragen over hun tuin: hoe kom ik van het onkruid af, het zevenblad, of het heremoes? Of: de boom in mijn tuin wordt veel te groot, wat moet ik doen? En het gebeurt steeds vaker dat de tuin mensen te veel wordt, dat hij verwildert, dat ze het niet meer aankunnen en mijn hulp inroepen.”

Bij de ingang van de winkel staan paraplu’s en tassen in een knalgroen grasmotief. Er zijn stoelen, bekleed met kunstgras (van de ontwerpster Eliane van Dorp), grasbanken en grasbehang. Voor Jan Schep is 2008 het jaar van het gras: „Het viel me op dat grasdesign nu bij veel producten wordt toegepast. Het grasmotief heeft een rustgevend effect. De laatste jaren dreigt het gras, vooral in kleine tuinen, te verdwijnen. Mensen willen liever tegels of andere bestrating en dan worden er als toetje nog een paar planten neergezet. Maar voor de waterhuishouding is een grasmat juist goed. Door de klimaatverandering krijg ik vaker te maken met wateroverlast in tuinen en daar moet ik dan een oplossing voor verzinnen. Ik laat bijvoorbeeld de afvoer van het dak naar een vijver lopen, maar soms is het beter om een aantal tegels door gras te vervangen.”

Volgens Schep hebben de hoveniersbedrijven het drukker gekregen door de klimaatverandering: „Het voorjaar was altijd het belangrijkste seizoen voor de hovenier, nu gaat het werk het hele jaar door. Vroeger kon je in de winter alleen maar populieren snoeien en de plantenkas schilderen – de winterbeurt – maar als we nauwelijks meer een winter hebben kun je het hele jaar door tuinen aanleggen.”

Op zijn website lanceerde Schep onlangs een ‘Tuinstijl Forum’ waar mensen kunnen discussiëren over tuinen aan de hand van een stelling. De eerste stelling op de site luidt: „Nederland heeft geen echte tuinstijl. We zijn slechts meelopers in de tuinwereld die wordt gedicteerd door de commercie van Intratuin, Gamma en Praxis.”

Schep: „Ik sta helemaal achter die stelling. Op zaterdag heb je wel drie tuinprogramma’s op de televisie. Op de aftiteling zie je een hele rij commerciële bedrijven en eigenlijk worden die programma’s alleen gemaakt om hun producten te promoten. Er wordt bijvoorbeeld een buitenbankstel neergezet in zo’n tuin en dat wordt dan volgegooid met kussens. Maar waar laat je die kussens als je naar bed gaat? In die programma’s worden altijd bloeiende planten geplant, maar het planten moet juist voor de bloei gebeuren, dat is beter en het scheelt ook veel geld – een bloeiende sering is duurder dan een die nog niet in bloei is. Door die programma’s weten mensen niet meer dat een plant klein begint, ze denken dat alle planten meteen groot zijn. Nu is er de trend van de buitenkeukens, maar hoe vaak kan je buiten koken in Nederland? Het is goed dat tuinen gebruikt worden, maar ik houd niet van al die door de commercie opgelegde luxe die niets meer met planten te maken heeft. Planten delven het onderspit.”

„Ik heb me vaak afgevraagd waarom het ene land een eigen tuinstijl heeft en het andere niet. En wanneer kan een mode uitgroeien tot een stijl? Een typisch Nederlandse tuinstijl bestaat niet. Dan zijn Japanse tuinen in de mode en dan weer Engelse en als Jan des Bouvrie een nieuw buitenlampje heeft ontworpen, dan moet dat ineens overal de tuin in. In de jaren negentig was er een periode waarin ik voortdurend blauwe of roze borders moest maken, dat was toen een hype. Misschien dat de neiging om het gezellig te maken in de tuin wel echt Nederlands is: men is hier urenlang bezig het terras in te richten voordat men eindelijk gaat zitten. En je ziet het ook aan al die voortuintjes met een tafeltje en een bank vol decoratieve potten, klompjes, pompoenen en sierkalebassen. Maar die rage van pompoenopstellinkjes is gelukkig weer op zijn retour.”

Naast het forum op zijn website wil Schep met bouwarchitecten en industriële vormgevers praatsessies organiseren waarin hij met hen op zoek gaat naar een bij ons klimaat passende tuinstijl. Zelf is hij een voorstander van combinaties van moes- en siertuinen: „In Duitsland doen ze dat wel, daar schromen ze niet om radijs en kroppen sla tussen de bloemen te zetten. Zijn boerenkoolplanten niet mooi in een tuin? Het zijn net kleine bonsaiboompjes. De sierwaarde van groentes wordt onderschat, de rode bloemen van de pronkboon zijn prachtig, net als de witte bloemen van de tuinboon. En kijk eens goed naar rabarberbladen of kruiden als dille. De voortuin is de etalageruimte van een woning, in de achtertuin wordt meer geleefd. Als een voortuin wordt beplant, zet er dan niet alleen bloemen in, maar ook wat groentes. Ik wil terug naar de nutstuin. In Amsterdam heb ik verschillende van zulke tuinen ontworpen en aangelegd, maar dat waren achtertuinen, want voortuinen zijn schaars in de stad. Het enige nadeel van groentes is dat ze tijd vergen, wie weinig tijd heeft voor zijn tuin, moet niet aan groentes beginnen.”

In zijn Dubbelgroenwinkel geeft Schep elke maand een workshop ‘Ontwerp je eigen tuin’. In drie avondsessies brengt hij de deelnemers enige plantenkennis bij en leert hij ze waar ze rekening mee moeten houden bij de indeling en de aanleg van een tuin. Een werkboek geeft hun inzicht in onderwerpen als ‘Planten in een kleine ruimte’, of ‘Groen op het dak’.

Schep: „Aan het eind van de cursus krijgen de deelnemers de opdracht hun eigen tuin aan te passen of te ontwerpen volgens een soort droomscenario: wat zou je het allerliefste willen. Die ontwerpen worden dan besproken en beoordeeld op hun uitvoerbaarheid.”

Als geschikte bomen voor kleine stadstuinen noemt hij de amberboom (Liquidambar styraciflua), ‘omdat die mooi smal blijft’, de kornoelje (Cornus), de sierappel, of hoogstam vruchtbomen: „Een pereboom is een hartstikke mooie boom.” Op mijn suggestie van de gouden regen, zegt hij: „Ja, die is wel geschikt voor kleine tuinen, maar de peulen die er aan komen zijn giftig, dus als er kinderen zijn, zou ik dat niet aanraden.”

Naast de workshops in zijn winkel geeft Schep ook ‘praktische tuinbegeleiding’, zoals hij het zelf noemt: „Ik leer mensen in hun eigen tuin hoe ze moeten snoeien of wieden, zodat ze die tuin zelf kunnen onderhouden en mij alleen nog maar incidenteel nodig hebben.” Verder werkt hij twee dagen per week als begeleider bij het Amsterdamse schooltuinenproject: „Amsterdam heeft twaalf schooltuincomplexen voor de basisscholen. Alle kinderen uit groep zes krijgen een eigen schooltuintje en leren hoe ze dat moeten beplanten en verzorgen. Wat ze hebben opgekweekt aan bloemen en planten mogen ze mee naar huis nemen. Als voorbereiding op het buitenwerk krijgen ze in januari en februari binnenlessen over de grondsoorten – klei, zand en veen – en wat daar wel of niet op wil groeien, maar ook over bodemdieren als de regenworm: wat is de voor- en achterkant van een worm en waarom is dit diertje zo nuttig.” Hij toont het Schooltuinboek waarin ook onderwerpen als tuingereedschap, plantenvoedsel, zaden en vruchten worden behandeld. In dit tuinboek krijgen de kinderen allerlei opdrachten en kunnen ze een plattegrond en een teeltplan voor hun schooltuintje maken. Schep: „Vanaf april gaan we naar buiten en daar leren we de kinderen hoe ze moeten zaaien, planten, wieden, schoffelen en harken, hoe ze hun tuin moeten onderhouden.”

Schep vertelt dat hij net een opdracht heeft gekregen van de gemeente Amsterdam om de omgeving van een schooltuinencomplex te ontwerpen en, met de tuinman van het terrein, aan te leggen: „Bij de aanleg werken we samen met een groep werkloze schoolverlaters en met verstandelijk gehandicapten. De opdracht was een ‘educatieve border’ te maken om de schooltuinen heen. Daarbij gaat het niet zozeer om de sierwaarde van de border, maar meer om wat kinderen er van kunnen leren. Elke plant moet hier een verhaal hebben. Voor kleuters is er een ‘kabouterpad’ met opdrachten: zoek eikeltjes en maak er een ketting van. Of: meet de omtrek van een boom met je armen: hoeveel armen is een boom dik? Schooltuinen waren altijd afgesloten gebieden, nu is de trend om het open te gooien naar de buurt. Ik heb bij de gemeente een plan ingediend om in een deel van het Vondelpark, waar een sloot omheen ligt en waar nu een koe graast, schooltuinen te maken voor de kinderen uit Amsterdam-Zuid.”

Op mijn vraag door wie hij als tuinontwerper werd beïnvloed, wie zijn grote voorbeeld is, noemt Jan Schep geen namen van bekende tuinarchitecten maar die van Andy Warhol, Jan Wolkers en ook Zeger Rijers, een kunstenaar die de laatste jaren bekend werd door zijn installaties met schimmels en zwammen, gras, of graankorrels. Bij die installaties draait het om natuurlijke processen als groeien, ontluiken, bloeien en verwelken. Schep is vooral onder de indruk van het eigenzinnige van het werk van Rijers: „Ik ben nu bezig met een patio die zo nat en vochtig is dat de bewoners van het huis er niets mee kunnen doen. Door Rijers kwam ik op het idee om het natte van die patio juist te versterken en er een vijver met mozaïektegels in aan te leggen.”

Warhol bewondert hij ‘om zijn creatieve geest en doorzettingsvermogen’ en Jan Wolkers ‘om zijn veelzijdigheid’: „Wolkers kon heel lang stilstaan bij een simpel gebiedje in zijn achtertuin. Je hoort altijd: je moet naar het bos, daar is de natuur, maar in de kleine buitenruimte van de tuin is ook veel te ontdekken. En ik bewonder de beelden van Wolkers.”

Begin jaren negentig was Schep vastbesloten om zelf door te gaan in de kunst: „Schilderen, schrijven, sculpturen maken.” Hij schreef een serie gedichten over bomen, Nomenklad in de stad, en publiceerde een kleine bundel, Ode aan de hovenier. Daarin bezingt hij niet alleen de hovenier – ‘Wie is die schoffelaar / die zich een weg baant / tussen struik en wildgroei / in de hoven / Harkt / tuinkaf bij elkaar / Graaft / trakteert de bodemdieren (...)’ – maar ook tuingereedschappen als de hark, de schoffel of het snoeimes. Die gereedschappen inspireerden hem vervolgens tot een serie sculpturen waarvan er enkele in zijn winkel zijn opgesteld, zoals De Schrepel, een oude benaming voor een klein hakje. In deze sculptuur beeldde hij met twee schrepels op kronkelstelen van roestig ijzer de beweging uit die de tuinman met dit hakje in de grond maakt.

Jan Schep: „Ik ben nu bezig met een serie beelden die niets met tuinen te maken hebben, zoals een installatie van een ober op rolschaatsen die tussen de wijnglazen door zoeft. Die installatie wordt in augustus op de Amsterdamse Uitmarkt getoond. En het schrijven kan ik ook niet loslaten. Ik heb met mijn vrouw en twee kinderen van 2003 tot 2006 op St. Maarten gewoond. Mijn vrouw werkte daar als bibliothecaresse en ik als huisman. Daar heb ik een boek over geschreven: Huisman in de tropen, het is net af. Het gaat over een blanke man die beschrijft hoe het is om op de Antillen te wonen. Het leven was daar duur, dus behalve als huisman heb ik er ook als huisschilder gewerkt en als floormanager bij een warenhuis. Ik was daar de enige man die zijn kinderen naar school bracht en de juf vroeg mij of ik voetbalcoach van de school wilde worden. Dat deed ik en vervolgens werd ik op uitnodiging van de St. Maarten Football Association jeugdcoach van het hele eiland.”

„We hadden op St. Maarten voor het eerst een eigen tuin, met palmen en mangobomen en uitzicht op zee. Maar we zijn toch teruggegaan, voor de kinderen. De scholen zijn hier beter. Toen we terug waren, hoorde ik hier ineens tot de nieuwe armen, ik kreeg geen uitkering omdat mijn vrouw daar net iets te veel voor verdiende. Na twee maanden had ik zo genoeg van het solliciteren dat ik besloot om voor mezelf te beginnen. Eindelijk deed ik wat ik altijd al wilde: een tuinontwerpwinkel beginnen.”

voor meer informatie, zie: www. dubbelgroen.com