Rehbergers speelse blik op het vertrouwde

Deel van Tobias Rehbergers installatie. Te zien zijn de werken ‘Infection’ (links), ‘Mother Dying II’, ‘Taraki discount shop’, ‘Prototype 7EOTW-V222’. Op de muur schaduwspel en schilderingen. Foto Gert Jan van Rooij Rooij, Gert Jan van

Tentoonstelling Retrospectief Tobias Rehberger: The chicken-and-egg-no-problem wall-painting. Stedelijk Museum CS, Oosterdokskade 5, Amsterdam. T/m 25/5, dag. 10-18u. Inl.: 020-5732.911, www.stedelijk.nl

Ze staan keurig op een rij, precies zoals niet lang geleden op de tentoonstelling van stoelen uit de collectie van het Stedelijk Museum. Alleen zijn ze net iets anders. De Rietveldstoel heeft een tapse rug en hoge armleuningen, de stoel van Donald Judd is in de lengte uitgerekt en de poten van Alvar Aalto’s krukje staan evenwijdig in plaats van naar binnen gedraaid.

Tobias Rehberger (1966, Esslingen) maakte uit zijn hoofd schetsen van beroemde moderne stoelen en stuurde de tekeningen naar meubelmakers in Kameroen. Misschien beheerst Rehberger het tekenen in perspectief niet goed, of zijn de Afrikaanse ambachtslieden niet bedreven in het interpreteren van het perspectief. Het kan ook zijn dat Rehberger bepaalde informatie achterwege liet. De remakes lijken op een aandoenlijke manier op hun grote voorbeelden.

Ze maken deel uit van de expositie in het Stedelijk. Het is een door Rehberger zelf samengesteld overzicht van zijn oeuvre in de gedaante van een grote, zaalvullende installatie. Het is een gebruikelijke praktijk geworden: kunstenaars accepteren de uitnodiging om een retrospectief te maken, maar eigenlijk willen ze geen historisch overzicht omdat dat „retro” is, en dus gebruiken ze de werken voor één groot nieuw werk. Het kan interessante presentaties opleveren, zoals nu bijvoorbeeld Liam Gillick in Witte de With.

Rehberger plaatste tientallen werken uit de afgelopen vijftien jaar op een rechte rij. Met theaterspots licht hij ze zo aan dat de objecten schaduwen werpen op de zeventig meter lange muur erachter. Soms zijn de schaduwen gekleurd en vaag, soms duidelijker met donkergrijze contouren. Dit schimmenspel vulde hij aan met lijnen en abstracte geschilderde vormen. Hier en daar schreef hij er zinnetjes bij, zoals „I am not really satisfied with my hair conditioner”. Door de theatrale belichting zijn de objecten zelf niet goed te zien, ook omdat ze – behalve de stoelen – gemaakt zijn van reflecterende materialen als perspex. Er ontstaat verwarring: wat is hier het eigenlijke kunstwerk? De schaduwen op de muur, door Rehberger ‘muurschildering’ genoemd, of de sculpturen?

Om deze verwarring gaat het Rehberger. Het is hem te doen om een nieuwe kijk op vertrouwde dingen, zoals bekende designstoelen. In een interview in het museumbulletin omschrijft hij zijn werk als „een worsteling met de definitie van wat een kunstwerk zou kunnen zijn”. Volgens hem is „kunst uiteindelijk een theoretisch spel. Maar een puur theoretisch spel is het niet. Rehberger beheerst de kunst van het etaleren. Decoreerlust en lifestyle bepalen hoe zijn spel er uit ziet. Aan het plafond hangen feestelijke lampsculpturen gemaakt van slingers en gekleurd klittenband. De felgekleurde perspexobjecten in limoengroen, citroengeel en zuurstokroze houden het midden tussen abstracte sculptuur en Ikea-achtige woondecoraties. Poefs van lakleer, wandmeubels en vitrines verwijzen naar designtrends, van pop-art tot Alessi.

Een groot deel van de sculptuurobjecten ontwierp Rehberger samen met anderen. Vandaar het kip-en-ei in de titel van de tentoonstelling: the chicken-and-egg-no-problem-wallpainting. Rehberger wil laten zien dat het kunstwerk niet uit het niets ontstaat in de geest van de kunstenaar.

Originaliteit houdt hem al lang bezig. Als jongetje kopieerde hij portretten van zijn vader, die een getalenteerd tekenaar was, en op de kunstacademie reproduceerde hij de kunstwerken van zijn vader, met als enig verschil dat hij de originelen vier maal vergrootte.

Tien jaar geleden vroeg Rehberger aan bevriende kunstenaars hun ideale plek te beschrijven, een ruimte waar ze zich thuis voelen. Dit leidde tot meubel- en interieurontwerpen zoals een keuken-unit getiteld Cutting, preparing without missing anything, being happy about what’s coming next. Deze ontwerpen past hij eens in de drie jaar aan aan de actuele trends. En net als met de stoelen schetste Rehberger modellen van auto’s die hij in Thailand liet maken.

Waartoe dient kunst, en wat is een kunstwerk, vraagt Rehberger zich af. Zijn installatie in het Stedelijk lijkt te verwijzen naar de schaduwen in Plato’s grot. Plato had weinig op met beeldende kunst. De timmerman vervaardigt een imitatie van de ware vorm van de Stoel en maakt zo een nuttig ding. Vervolgens maakt de kunstenaar daarvan een nutteloze imitatie of afbeelding met als enig doel zinnelijk welbehagen. Het kunstwerk geeft ons geen inzicht in de Waarheid, aldus Plato.

Rehbergers objecten refereren aan bruikbaarheid maar zijn meestal onbruikbaar. De bank en bar van de keukenunit zijn smal en oncomfortabel. De praktische eenvoud is schijn.

Het is zinnig om de (on)mogelijkheid van kunst te doordenken. Maar de invalshoek die Rehberger kiest zijn afgezaagd. Originaliteit, signatuur, genialiteit, deze begrippen hebben in de afgelopen decennia bij kunstenaars en theoretici afgedaan. Hij voegt daar met deze installatie weinig aan toe. De presentatie is vrijblijvend: waarom deze objecten en geen andere? Wanneer je het spelletje van licht en schaduw, en het geintje van de muurschildering die geen muurschildering is, eenmaal door hebt, blijft er weinig over.

    • Janneke Wesseling