Plassen, gvd!

Nog voor de lenteklassiekers goed zijn losgebarsten, verdringt het wielrennen op de sportpagina’s van Nederlandse kranten de mazzel van PSV, het kermen van Roy Makaay, het nieuwe jodelgeluk van Co Adriaanse.

Nederland heeft weer een klimmer, en wat voor een.

Op de Mont Ventoux, met Hollandse melkbenen, de leiderstrui in Parijs-Nice pakken, is een godswonder dat deze heidense natie niet meer heeft kunnen aanschouwen na Joop Zoetemelk. En Joop, mag je zeggen, is zelfs al te oud voor rimpelrock.

Robert Gesink: 21 jaar.

Wie zijn naam uitspreekt, denkt nu al aan de gele trui in Parijs als hij volgend jaar de Tour de France rijdt. De Vuelta heeft hij dit jaar, sowieso, op zak.

Nederlanders zijn niet bij te houden in voorbarige euforie. Was Thomas Dekker ook niet een aangekondigde Tourwinnaar? En over Joost Posthuma wordt ook veel goeds gezegd. Volgens zijn ploegleider Erik Breukink ligt alvast in de Tirreno-Adriatico een mooie klassering in het verschiet.

Renaissance, en niet zo’n klein beetje. Hollands glorie, nu dan gevat in klikpedalen.

Ik mag hopen dat Robert Gesink het niet zo ver laat komen. Dat hij tijdig inziet dat er voor hem geen beschaving is weggelegd in het peloton, laat staan een renaissance.

Wie vandaag nog op de fiets zit, is een middeleeuwse kamikazegek. Freire, Boonen, Petacchi… of ze zijn niet goed snik, of ze zijn zo achterlijk dat ze nog nooit van mensenrechten hebben gehoord. In beide gevallen zijn ze hun eigen treurigheid.

Een dag uit het levensverhaal van Kevin van Impe, zoals het opgetekend werd door een Belgische krant, zegt alles over de barbarij van het wielrennen.

De meesterknecht van Tom Boonen is al negen maanden out met een knieblessure. Toch kreeg hij deze week in zijn huis in Erpe-Mere het bezoek van een dopingcontroleur van de Vlaamse Gemeenschap.

Kevin was voor het eerst vader geworden. Zes uur later was zijn zoontje dood: te vroeg geboren. Hij was met de begrafenisondernemer de crematie aan het regelen toen de dopingcontroleur aanbelde. Die vroeg nog, pro forma, of hij niet ongelegen kwam. De renner legde uit dat hij nu wel wat anders aan zijn hoofd had dan ritueel plassen.

Zeg dat tegen een dopingjager. Crematie of geen crematie, de broek moest uit. En wel hic et nunc! Met de dood in het hart wordt plassen een stuk moeilijker, en dus lukte het niet. Van Impe vroeg nog of de dokter niet’s avonds terug wou komen, als ook de begrafenisondernemer het huis uit was. Nee, dat kon niet: regels zijn regels.

Na een uur sukkelen, draaien en zweten had het Gestapomannetje eindelijk zijn geliefde potje urine. Triomfantelijk reed hij het laboratorium tegemoet.

Wat wil je zijn, renner of mens? De twee gaan niet meer samen. Toch zeker niet voor de UCI en aanverwante bloedhonden. Maar maak dat maar eens een wielrenner wijs.

Kevin van Impe had zich ook nog naar het stalinisme van de whereabouts gevoegd. Hij had keurig gemeld dat hij de afgelopen week in het ziekenhuis zou verblijven, voor de bevalling van zijn vrouw. En, zoals het hoort, heeft hij nu op zijn whereaboutformuleren aangegeven dat hij komende maandag te vinden zal zijn in het crematorium van Lochristi.

Voor dopingjagers moet het een feest zijn, een renner laten plassen in een crematorium. De finale van macht.

In Zimbabwe zijn ze gepolijster in het schenden van mensenrechten, intimiteit en fatsoen dan in het Europese wielrennen. Maar denk niet dat de ploegleider van Quickstep iets van zich heeft laten horen in deze orgie van wansmaak. Patrick Lefevere had het te druk met oordopjes.

Tom Boonen gaf ook niet thuis. Althans, hij bleef vrolijk door-peddelen in de Tirreno-Adriatico, met het oog op Milaan-Sanremo. En dan maakt het niet uit of een meesterknecht ook nog eens brutaal vernederd wordt in de dood van zijn baby. Misschien kunnen knechten beter niet aan een kindje beginnen. Dat is niet goed voor de vorm van de kopman. Waterdragers zijn er om drinkbussen op de rug nemen bij het wenken van de Poggio, niet om zich voort te planten.

Zou er nog één wielrenner zijn die kan huilen om de schaamte van zijn biotoop? Niet Robert Gesink: daar is de glorie te jong voor. In het gevleugelde exploot op de Mont Ventoux zal hij ook niet aan Kai Reus hebben gedacht.

    • Hugo Camps