Pijnlijke keuzes

Prooidieren kunnen gedrag en lichaamsbouw snel aanpassen om belagers te ontduiken. Kanoeten laten vet voedsel staan; steltlopers kweken spieren. Rypke Zeilmaker

Banc d’Arguin in Mauritanië. Foto Hollandse Hoogte The Arguin Bank shelters one of the most important populations of migrating birds in the world during the winter season. Hollandse Hoogte

Houden roofdieren in een natuurgebied prooidierpopulaties ‘kort’, zoals de populaire opvatting stelt? Die vraag houdt steeds meer ecologen bezig die de invloed van predatie op prooidieren willen meten. Vaak blijkt dat roofdieren een marginale invloed hebben op de aantallen prooidieren in een gebied, maar in andere gebieden kan een ware slachting optreden.

De pakkans door roofdieren verschilt niet alleen per gebied, maar ook per prooidiersoort en leeftijd van de prooidieren. Een recente studie van ecoloog Paul Whitfield van Scottish Natural Heritage toont dat in één Schots getijdengebied bijvoorbeeld tien maal zoveel tureluurs als kanoetstrandlopers eindigen in de klauwen van sperwers.

Ecologen Theunis Piersma en Piet van den Hout van het Texelse NIOZ (Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek ) willen de oorzaak achterhalen van die verschillen in sterfte. Prooidieren ontwikkelen volgens hen strategieën om aan hun belagers te ontkomen. Sterfteverschillen zijn dan verklaarbaar uit het succes waarmee verschillende dieren die ontsnappingskunst toepassen.

doodsvijand

Sinds vijf jaar analyseren de ecologen daarom de wapenwedloop tussen in groepen foeragerende kanoetstrandlopers op de Banc d’Arguin in Mauritanië en hun belangrijkste doodsvijand, de slechtvalk. Van den Hout hoopt volgend jaar te promoveren op dit onderwerp. Het onderzoek toont dat op populatieniveau de valken een marginale impact hebben op de aantallen kanoetstrandlopers in Mauritanië. Per overwintering veroorzaken valken slechts 0,8 procent van de totale sterfte bij volwassen vogels. Wat Van den Hout ook ontdekte was een enorm verschil in sterfte bij verschillende leeftijden. Eerstejaars kanoeten, herkenbaar aan hun verenkleed, sneuvelen tien maal vaker in valkenklauwen dan oudere soortgenoten.

Wat veroorzaakt het grote verschil in pakkans tussen jong en oud? Van den Hout vermoedde dat jonge kanoeten op de Banc d’Arguin gevaarlijker voedselplekken uitkiezen dan volwassenen, waar de valk eerder succes heeft. In Mauritanië staan kanoeten namelijk voor een pijnlijk dilemma, zo zag de ecoloog: vet voedsel of veiligheid. Direct aan de kustlijn liggen de vetste schelpdieren die snel veel energie leveren. Verder van de kust liggen juist kleine schelpdieren waarvoor de kanoet meer moeite moet doen om genoeg binnen te krijgen. Maar die vette hap met meer energie heeft zijn prijs.

Direct aan de kustlijn in Mauritanië liggen duinen die een valk bij een aanvalsvlucht als dekking kan gebruiken. Zo kan hij een hinderlaag leggen en een kanoet verrassen, omdat deze de valk te laat opmerkt. Uit literatuur is bekend dat het jachtsucces van roofvogels sterk toeneemt als zij hinderlagen kunnen gebruiken. Daarnaast neemt de pakkans statistisch gezien toe als kanoeten in kleine groepen eten. Een instinctieve vluchtreactie van kanoeten is dan ook dat zij in een grote zwerm zwenkvluchten uitvoeren als een valk aanvalt.

Om te testen of jonge kanoeten meer risico’s nemen, turfde Van den Hout het jachtsucces van de valken, dat is het percentage jachtvluchten dat prooi op levert. Ook hield hij bij hoe de valk aanviel. Inderdaad vond ruim tweederde van de jachtvluchten plaats vanaf land, met gebruik van hinderlagen als de duinen langs de kust. De valken hadden dan gemiddeld bij één op de drie aanvallen succes. Van den Hout registreerde ook de plaats die jonge en oude kanoeten uitkiezen voor voedselzoeken.

Zijn vermoeden bleek te kloppen. Jongeren laten zich eerder verleiden door een vette hap en zoeken relatief vaker dichtbij land naar voedsel dan oude dieren. Ook eten zij vaak in kleinere groepjes dan oudere dieren, waardoor de kans toeneemt dat de valk ze uitkiest als slachtoffer. De oudere vogels beheersen dus een zekere ontsnappingstruc. Ze zijn voorzichtiger en nemen de extra energie voor lief die veilig voedselzoeken kost.

spierballen

Vogels passen niet alleen hun gedrag aan om predatie te voorkomen, maar ondergaan ook lichamelijke veranderingen. In het Journal of Avian Biology van september 2006 publiceerden Van den Hout en zijn collega’s over steenlopers die snel extra borstspiermassa kweekten, wanneer de onderzoekers in het ‘zwembad’ van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek NIOZ regelmatig modellen van valk en sperwer liet overvliegen. Die ‘spierballen’ ontstonden zonder extra vliegtraining. En Piersma vond al hoe kanoeten, maar ook goudplevieren en kieviten in aanwezigheid van valken consequent een relatief ondergewicht handhaven, ook al is er voldoende voedsel. Piersma denkt dat de vogels zich lichamelijk aanpassen, nu de afgelopen dertig jaar roofvogels als de slechtvalk sterk in aantal zijn toegenomen. De prooivogels maken volgens Piersma met een lager wintergewicht meer kans om te ontsnappen, omdat ze wendbaarder zijn.

Over het drijvende mechanisme achter die lichamelijke aanpassingen tast Van den Hout in het duister. “Meer vliegspieren maakt sneller vluchten mogelijk als een roofvogel nadert”, zegt hij. “Maar de steenloper krijgt zijn extra spieren niet door training zoals bij mensen in het fitnesshonk. Bij nadering van een roofvogel drukt de steenloper zich instinctief tegen de grond, in plaats van weg te vliegen. Voor extra spierballen hoeft hij dus niks bewust te doen.”

De spiergroei kan een genetisch gestuurde reactie op stress zijn, die wordt geactiveerd door een roofvogelsilhouet. Dat dit silhouet automatisch reacties oproept bij sommige vogels is al decennia bekend dankzij proeven van beroemd Oostenrijks zoöloog Konrad Lorenz. Een ankersilhouet met lange staart, roofvogelmodel, deed kippenkuikentjes instinctief vluchten. Bewoog Lorenz dit silhouet in omgekeerde richting, dan bleven de kuikens rustig.

Maar zijn vermijdingsstrategieën zoals de verandering in voedselkeuze gewoon ‘domme’ genentrucs, die instinctmatig vastliggen? Of leren de dieren zich aan de situatie aanpassen? Onderzoek in Canada van gedragsecoloog Ron Ydenberg en Dick Dekker in 2004 toont een zekere aanpassing aan de situatie ter plekke. Zij beschreven aan de Stille Oceaan in British Columbia een niet eerder ontdekte strategie die foeragerende bonte strandlopers gebruiken om valken te ontvluchten. Bij opkomend tij, wanneer de vloedlijn vogels naar de kust drijft, voeren de valken hun aanvalsfrequentie op. De wadvogels reageren door juist met opkomend tij en vloed twee tot vier uur rondjes te vliegen boven de oceaan. Energieverlies laten zij opwegen tegen predatierisico.

afweging

‘Leren’ prooidieren als kanoeten de hoeveelheid gevaar per situatie dus bepalen? “Vogels maken steeds een afweging tussen veiligheid en overleving, energieverbruik en voedsel, maar we weten niet hoe de vogel dat optimum bepaalt”, zegt Van den Hout. “Is er sprake van trial and error, waarbij het dier via fouten tot efficiënt gedrag komt, of is er sprake van een zeker leervermogen? Ligt het gedrag genetisch vast, en zo ja, hoe verankert zich dat dan? Tot nu toe hebben we meer vragen dan antwoorden.”

Het onderzoek lijkt voorlopig te bevestigen dat de aanwezigheid van roofdieren niet direct de prooidieraantallen controleert. Ook volgens Ydenberg, nu deeltijdhoogleraar Faunabeheer in Wageningen is die opvatting te simpel. “Maar roofdieren kunnen wel degelijk een snelle invloed hebben op populaties van prooidieren”, zegt hij. “Bijvoorbeeld als prooidieren niet op hun belager zijn ingesteld, omdat roofdieren lange tijd afwezig waren. Dat zie je nu bij albatrossen op eilanden in de Stille Oceaan. Zij worden door exoten belaagd, door ratten, en zijn niet geëvolueerd om met die dreiging om te gaan. Als ze geen verdedigingsstrategie ontwikkelen is de kans groot dat ze van het toneel verdwijnen.”