Overwin het wereldwijde wantrouwen en zet alle kaarten op netjes globaliseren

Protesten tegen mondialisering nemen steeds grotere vormen aan. Landen en bedrijven die verantwoordelijk willen globaliseren, vechten tegen wantrouwen en concurrentie.

Alex MacGillivray

Alex MacGillivray is hoofd onderzoek en ontwikkeling van non-profitorganisatie AccountAbility dat duurzame ontwikkeling onderzoekt. Hij schreef A Brief History of Globalization en is mede-auteur van het onderzoeksrapport The State of Responsible Competitiveness 2007.

We hebben al eerder hevige perioden van planeetkrimp meegemaakt. In de jaren negentig van de vijftiende eeuw werd de aardbol onderling verdeeld door Spanje en Portugal. Groot-Brittannië creëerde in de jaren tachtig van de negentiende eeuw een wereldeconomie met als middelpunt de Greenwich-meridiaan. In de afgelopen eeuw gebruikten de Sovjet-Unie en de VS in de jaren vijftig de ruimtewedloop in hun streven naar wereldoverheersing. Snelle groei van de wereldhandel was er ook aan het einde van de zestiende eeuw, onder invloed van de Nederlandse hang naar ‘dagelijkse luxegoederen’ als koffie, specerijen en porselein.

Elke impuls tot mondialisering brengt winnaars en verliezers, en de winnaars worden snel opnieuw luidkeels uitgedaagd. Met goedvinden van de staat probeerden Britse piraten de Spaanse handelsmonopolies in Zuid-Amerika te breken. Eduard Douwes Dekker legde in 1860 in zijn anti-kapitalistische roman Max Havelaar de onrechtvaardigheden van de Nederlandse koffieveilingen bloot. De Noors-Amerikaanse econoom Thorstein Veblen bedacht in 1899 de term ‘conspicuous consumption’, consumptie als statussymbool, en Rachel Carson legde in haar boek Dode Lente uit 1962 plotseling alle schuld bij mondialiserende chemische bedrijven als Monsanto.

Het huidige grote verzet tegen de mondialisering is echter van recente datum en naar historische maatstaven ongelooflijk snel opgekomen. In maart 2006 gingen opeens tienduizenden Indiërs de straat op als protest tegen het bezoek van George Bush. De Amerikanen protesteerden op hun beurt toen een bedrijf uit Dubai zes Amerikaanse zeehavens wilde overnemen. Na een impasse in Hong Kong liepen de wereldhandelsonderhandelingen in het voorjaar van 2006 geheel vast.

Sindsdien is er geen week voorbijgegaan zonder dat ergens fel tegen de mondialisering is geprotesteerd. De afgelopen weken dreigen Indiase bedrijven met rechtszaken tegen ngo’s die de afschuwelijke arbeidsomstandigheden aan de kaak stellen waaronder steeds goedkopere kleding wordt gemaakt. Beroemdheden zijn onder druk gezet om de Olympische Spelen van Peking te boycotten. Huiseigenaren en lager bankpersoneel hebben te lijden gekregen van de institutionele onverantwoordelijkheid bij internationale banken na het Amerikaanse fiasco met de riskante hypotheken. Wie zal eerder aan de lobby van het tariefsprotectionisme toegeven, Hillary Clinton of Barack Obama? En wekelijks komt de wetenschap met ernstiger voorspellingen over de schade van de klimaatverandering.

Daarom hebben machtige instituten als de Wereldbank en het Wereld Economisch Forum van Davos – die meestal traag op ontwikkelingen reageren – hun inspanningen snel gericht op een manier om de mondialisering iedereen ten goede te laten komen. Bill Clinton heeft het ‘Global Fairness Initiative’ voor een eerlijker wereld opgezet; de Duitsers praten nu over ‘fatsoenlijke handel’. Groot-Brittannië is in de ban van Fair Trade, de beweging die decennia geleden in Nederland begon. Elk internationaal bedrijf wil als klimaatleider worden gezien, ook als het zich met olieraffinage of luchtvaart bezighoudt. China onderkent de ongerustheid over productkwaliteit, arbeidsomstandigheden en luchtvervuiling, en zegt dat het een nationale strategie van ‘harmonische groei’ heeft.

De vraag is: wat is er voor nodig om mensen deze bewering te laten geloven? In Noord-Europa blijkt uit onderzoek dat zes van de tien mensen berouwvol of fatalistisch toekijken. Ze geloven niet dat er echt iets aan de klimaatverandering te doen is. Het vertrouwen in overheid en bedrijfsleven is nog nooit zo laag geweest. Anders dan bij eerdere mondialiseringsgolven vertrouwen mensen zelfs geen beroemdheden meer als het om de wereldthema’s gaat.

Hoe is deze sterke ontgoocheling te overwinnen? Moderne ondernemingen hebben de concurrentie in hun DNA en overheden staan of vallen met hun economische staat van dienst. Vermindering van de handel, ontmanteling van bedrijven en een verbod op het gebruik van het bruto nationaal product – lang de ‘heilige drieëenheid’ van de groene beweging – zijn eenvoudigweg geen serieuze mogelijkheden voor een update van de mondialisering. Daar is geen steun voor in Europa, de VS of Japan, laat staan in de agressief groeiende economieën van Brazilië, Rusland, India en China, en de ‘Volgende 11’: de groep grote landen als Nigeria en Indonesië die deze vier op de hielen zit.

Realistischer is misschien een verantwoordelijker concurrentie. Om na te gaan hoe dit zou kunnen werken, moet er worden gekeken naar mensenrechten, volksgezondheid en veiligheid, corruptiebestrijding, gelijkheid tussen de geslachten, bestrijding van de klimaatverandering: een brede definitie van verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid geldt het bedrijfsleven zowel als landen. AccountAbility, een non-profitonderzoeksteam, meet elk jaar de honderd grootste bedrijven en de honderd grootste economieën om te zien hoe verantwoordelijk ze zijn. En wat zijn de bevindingen?

Eerst het goede nieuws. Verantwoordelijk ondernemen of besturen gaat niet per se ten koste van de bedrijfswinsten of de nationale concurrentiekracht. Van Zweden tot Chili en van Vodafone tot het Mexicaanse Cemex zijn er verantwoordelijke spelers die goed presteren. Natuurlijk zijn er ook voorbeelden van bedrijven en landen die vastlopen omdat ze het zo druk hebben om netjes te zijn. Misschien is ABN Amro wel zo’n voorbeeld. En de Duitse industrie gaat nu tekeer tegen milieuverordeningen die volgens haar de autofabrikanten zullen schaden. Maar gemiddeld stelt het onderzoeksteam vast dat verantwoord zakendoen statistisch gesproken te verenigen is met economische prestaties.

Bedrijven en landen kunnen hun verantwoordelijke concurrentievermogen jaarlijks verhogen, ondanks een wereldeconomie die hen zeer op de proef stelt. Ze moeten dan wel de juiste aanpak kiezen. Het is niet genoeg om abstracte doelstellingen te hebben, zoals ‘de olie voorbij’ van BP (Beyond Petroleum) of de Britse wens tot een ‘ethische buitenlandse politiek’. Ambitieuze strategieën moeten gepaard gaan met hoogwaardige uitvoeringssystemen – zoals General Electric met zijn Eco-imagination project en de Scandinavische landen met hun nationale plannen voor verantwoordelijk ondernemen.

Maar strategie en systemen zijn niet genoeg. Verantwoordelijke concurrentie vereist ook een cultuur waarin uiteenlopende belanghebbenden samenwerken. Samenwerking is de sleutel, of het nu mijnbouwbedrijven betreft die met ngo’s aan de mensenrechten werken, TNT die met VN-organisaties aan voedseltransporten naar hongersnoodgebieden werkt, of Wal-Mart en de vakbonden die aan verbetering van de textielproductieketen werken. Uiteindelijk draait verantwoordelijke concurrentie maar om één ding: een duidelijke gerichtheid op het eindresultaat. Dat is niet eenvoudig, maar de bedrijven en landen die het goed aanpakken overleven dit niet alleen, maar bloeien zelfs.

Maar ondergraaft de meedogenloze mondialisering niet elke poging om netjes te zijn? Wordt het door de opkomst van de Aziatische bedrijven en landen niet onmogelijk de vooruitgang die in het verleden is geboekt te verdedigen?

Als de mondialisering van landen afgezet wordt tegen de mate waarin ze verantwoordelijk zijn, krijgen we een gemengd beeld (zie grafiek). Nederland, eind vorig jaar door het blad Foreign Policy tot de drie meest gemondialiseerde landen gerekend, blijkt opnieuw een van de meest verantwoordelijke landen. Het tegendeel gaat op voor China. Hiertussen zit een land als Jordanië, dat snel mondialiseert en later de sociale problemen en de problemen met het milieu hoopt te kunnen oplossen. En het andere uiterste is Zuid-Afrika, dat per se alles netjes wil regelen voordat het zijn deuren verder openzet. Bij bedrijven zien we hetzelfde beeld: tegenover elke meedogenloze winstmaker staat een waardig maar ondergewaardeerd equivalent.

Wat kunnen we uit deze mengeling van strategieën opmaken? Twee dingen. Ten eerste kunnen landen en bedrijven maar tot op zekere hoogte riskeren de weg naar verantwoordelijke concurrentie in te slaan. Daarvoor zijn markten nodig die ‘good practice’ speciaal belonen en profiteurs bestraffen. Wat we zien is dat het gebrek aan duidelijkheid over de toekomstige koolstofprijzen de innovatie die we zo dringend nodig hebben smoort. Maar ook ontbreekt in te veel landen ‘sturend beleid’, omdat daar nog niet wordt ingezien dat corruptie, uitbuiting, vervuiling en discriminatie naar geslacht niet alleen onaanvaardbare praktijken zijn, maar ook ernstig de concurrentiekracht schaden.

Ten tweede is verantwoordelijke concurrentie niet te verwezenlijken in de directiekamer van de onderneming en in de gangen van het ministerie van Economische Zaken. Overheid en bedrijfsleven vertrouwen op ‘sociale instrumenten’ – een veelvuldige dialoog en zelfs onenigheid met burgers en consumenten die levendig, betrokken en creatief zijn, en bereid organisaties ter verantwoording te roepen. Daarom wil Singapore nu dat meer ngo’s zich op het eiland vestigen, kost het Russische bedrijven meer moeite om te innoveren en heeft Wal-Mart uiteindelijk beseft dat het verantwoordelijker én mondialer kan zijn.

Zal de wereldbevolking zich door dit bewijsmateriaal over verantwoordelijke concurrentie laten overtuigen? Als mensen het vertrouwen verliezen, bestaat er een reëel gevaar dat we de wereldhandel de rug toe zullen keren, zoals de Chinezen in de vijftiende eeuw en de Amerikanen in de jaren dertig van de vorige eeuw. Als ze wel te overtuigen zijn, krijgen we misschien wel met een geheel nieuw soort verantwoordelijke mondialisering te maken.

Het rapport The State of Responsible Competitiveness 2007 met een voorwoord van Al Gore kan worden gedownload via nrc.nl/opinie

    • Alex Macgillivray