‘Kunstenaar moet lot aanvaarden, hoe wisselvallig ook’

Directeur Lex ter Braak van het fonds Beeldende kunsten maakte veel emoties los met een essay vorig jaar. Zijn beleidsplan van nu is zo genuanceerd als maar kan.

Lex ter Braak Foto Bob Bronshoff, Hollandse Hoogte Nederland, Amsterdam, 2006 Lex ter Braak, directeur van het Fonds BKVB Foto Bob Bronshoff/ Hollandse Hoogte Bob Bronshoff;Hollandse Hoogte

De kunstenaar centraal heet het nieuwe beleidsplan van het Fonds voor Beeldende kunsten, Vormgeving en Bouwkunst voor de periode 2009-2012. Met die titel wil directeur Lex ter Braak nog maar eens benadrukken dat het Fonds BKVB er echt is voor de kunstenaars van Nederland. Daar werd de laatste tijd nogal eens aan getwijfeld.

Nadat Ter Braak vorig jaar mei – samen met Mondriaan Stichting-directeur Gitta Luiten – de essaybundel Second Opinion had gepubliceerd, werd hij overvallen door een storm van kritiek. Zijn voorstellen om landelijk minder kunstenaars meer subsidie te geven en om geld over te hevelen naar de instellingen, zodat zij fatsoenlijke honoraria kunnen betalen aan hun exposanten, werden beantwoord met een emotionele protestbrief die ondertekend was door ruim vierhonderd kunstenaars. In december volgde een handtekeningenactie van het Platform Zonder Kunstenaars Geen Kunst (‘Tegen de uitholling van kunstsubsidies!’), die leidde tot een emailbombardement aan Tweede-Kamerleden.

De boodschap was duidelijk: kunstenaars worden uitgeknepen en de grote boosdoener was het Fonds BKVB. Maar wie nu het nieuwe beleidsplan bekijkt – een boekwerk van liefst 135 pagina’s – moet constateren dat Ter Braak een evenwichtig en genuanceerd betoog heeft geschreven. Grote wijzigingen zijn niet te verwachten. Het budget dat het Fonds voor vier jaar heeft aangevraagd bij het ministerie blijft hetzelfde: ongeveer 22 miljoen euro per jaar. Wie aan de kwaliteitsnormen voldoet, krijgt zelfs meer geld: het basisstipendium is verhoogd van 32 naar 36 duizend euro voor vier jaar, het startstipendium gaat van 16 naar 18 duizend euro. Inderdaad zullen minder kunstenaars hier gebruik van maken dan voorheen: in de begroting is gemikt op tweehonderd basisstipendia en zeventig startstipendia, vorig jaar waren dat er 280 en zeventig.

Hoe verklaart u de hevige reacties van kunstenaars op uw plannen?

„Volgens mij is sprake geweest van al dan niet moedwillig verkeerd lezen. Doordat lang niet iedereen Second Opinion gelezen heeft, liet men zich misschien meeslepen door een verkeerde weergave ervan in de brief van de kunstenaars. De kunstenaar heeft bij het Fonds altijd centraal gestaan. Niet iedereen heeft de boodschap zo willen begrijpen.”

Het blijft het topje van de ijsberg dat het Fonds bedient. Is het gek dat dat kunstenaars frustreert?

„Niet elke kunstenaar die van de academie komt, heeft recht op een startstipendium. Je kunt niet iedereen ondersteunen die zich professioneel kunstenaar noemt. Het verleden heeft aangetoond dat dat averechts werkt. Iedereen mag van mij kunstenaar zijn, maar het is niet de zorg van de samenleving om iedereen van een maandelijks inkomen te voorzien. Het kunstenaarschap is een individuele keuze. En een kunstenaar zal op zijn eigen wijze het lot moeten aanvaarden, met alle wisselvalligheden die daarbij horen. Het is in ieder geval niet de taak van het Fonds om zijn inkomen naar een goed niveau te verheffen.”

Wat is dan wel de taak van het Fonds?

„De individuele subsidies zijn er om het bijzondere mogelijk te maken, om kunstenaars in een bepaalde fase van hun ontwikkeling te steunen zodat ze nieuwe wegen kunnen inslaan. Het gaat erom dat kunstenaars zo nu en dan níet overgeleverd zijn aan de vraag van de markt. Denk aan een sabbatical. Even een pas op de plaats, dan weer een grote sprong voorwaarts.”

Een van de eisen van het Platform Zonder Kunstenaars Geen Kunst is: besteed 1 procent van de nationale begroting aan cultuur, zoals in veel andere landen gebeurt.

„Dat is een prima streven. Maar kunstenaars denken dan dat dat geld ook direct aan hen besteed wordt. Terwijl er nog zoveel andere kunstuitingen zijn die een stimulans kunnen gebruiken. Wanneer een stad zichzelf op de kaart wil zetten, wordt altijd meteen gedacht aan een museum voor hedendaagse kunst. Dus krijg je het zoveelste museum met een collectie die je tien kilometer verderop ook kunt zien. Waarom denkt niemand aan een filmmuseum, om maar wat te noemen. Daar hebben we er in Nederland maar één van.”

In het beleidsplan heeft u het over het voornemen om ‘matching grants’ in te stellen. Als een producent wil bijdragen aan de totstandkoming van een nieuw kunstwerk, verdubbelt het Fonds dat bedrag. Wat is daarvan het voordeel?

„We hopen daarmee bijzondere, grootschalige projecten mogelijk te maken. Denk aan de kunstwerken die de afgelopen jaren voor de turbinehal van Tate Modern zijn gemaakt; die kregen wereldwijd aandacht. Het zou mooi zijn als we dat in Nederland ook voor elkaar krijgen. Voorwaarde voor de matching grant is dat er al minimaal vijftigduizend euro gefinancierd wordt. Het Fonds verdubbelt dat. Dan heb je dus minstens een ton. Daar kun je echt wat mee doen. Ik wil graag dat de beeldende kunst ertoe doet, dat mensen een werk per se gezien willen hebben. Zoals het ook belangrijk is bepaalde boeken gelezen te hebben. Dat is bij beeldende kunst zelden het geval, en dat is helemaal niet nodig.”