Klassenverkleining helpt vooral de beste leerlingen

foto evelyne jacq Nederland, Amersfoort. 17-04 2003 Openbare basisschool 'de wiekslag' onderbouw klas. KLas 4 b van Juffrouw Esther Kok. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Klassengrootte heeft bij kinderen tussen 4 en 7 jaar invloed op de prestaties. In klassen met 15 kinderen bereik je betere gemiddelde reken- en leesresultaten dan in klassen met 22 kinderen. Maar het verschil in prestaties tussen de goede en minder goede leerlingen wordt niet kleiner bij kleinere klassen – integendeel. Kinderen met goede beginsituaties profiteren sterker van klassenverkleining dan kinderen die kampen met achterstanden.

Dat blijkt uit een heranalyse van de gegevens van een klassenverkleiningsexperiment in Tennessee van ruim tien jaar geleden. Ontwikkelingspsycholoog Spyros Konstantopoulos van Northwestern University in Chicago relativeert hiermee de eerder gerapporteerde positieve uitkomsten van het experiment (The Elementary School Journal, maart 2008).

Konstantopoulos benadrukt per e-mail dat de resultaten van Amerikaans onderzoek niet zomaar te vertalen zijn naar de Nederlandse situatie. Aan de andere kant bleek in 2006 uit Gronings onderzoek (17 kinderen per groep) op 220 Nederlandse basisscholen dat leerlingen in kleine klassen in groep 3 wel beter presteren maar in groep 4 niet. Ook in het onderzoek in Tennessee waren bij kinderen van 4 en 5 jaar positieve effecten te zien en in de twee jaar daarna eigenlijk niet meer (in Amerika leren kinderen op hun vijfde al lezen).

In het zogenoemde STAR-experiment (Student-Teacher Achievement Ratio) in Tennessee werden 11.000 kinderen op de 79 deelnemende scholen willekeurig, voor een periode van vier jaar verdeeld over kleine (13-17 kinderen) en grote klassen (22-26 kinderen). Na de eerste vrij juichende rapportages over de positieve effecten in de kleine klassen – betere resultaten voor lezen en rekenen – volgden diepgaandere analyses met verfijnder statistische methoden. Toen bleek bijvoorbeeld dat kinderen uit minderheidsgroepen er weinig baat bij hadden gehad.

Konstantopoulos heeft nu uitgeplozen hoe de hogere gemiddelden, die wel degelijk gemeten waren, geïnterpreteerd moesten worden. Als alle kinderen beter waren gaan presteren, zou de variatie tussen de kinderen gelijk zijn gebleven. Als het vooral de mindere presteerders waren geweest die profiteerden, zou de variatie zijn afgenomen. En als vooral de goede presteerders hadden geprofiteerd, zou de onderlinge variatie zijn toegenomen.

Konstatopoulos ontdekte dat de variatieverschillen groter waren in de kleine klassen dan in de grote. Dat betekent dus dat de kinderen voor wie je het vooral doet, de kinderen die extra aandacht nodig hebben, niet van klassenverkleining profiteren.

Volgens de onderzoeker betekenen deze resultaten dit niet dat klassenverkleining helemaal zinloos is. Maar leerkrachten zien blijkbaar niet beter welke kinderen extra aandacht nodig hebben. Daarom moet beter onderzocht worden op welke manier leerkrachten het beste gebruik kunnen maken van de ruimte die ze in kleinere klassen krijgen. Marlies Hagers

    • Marlies Hagers