Kiezen voor milieu impliceert een trendbreuk: vertrouw op het optimisme van de wil

Voor een zinvolle aanpak van de klimaatverandering moeten politieke keuzes gemaakt worden die tegen de belangenverstrengeling van politiek en economische belangen in durven te gaan.

Een zonne-energiecentrale in het Spaanse Sanlucar La Mayor. Grote spiegels staan in een kring opgesteld rondom een oplichtende centrale ontvanger. Met de hitte wordt stoom gegenereerd waarmee weer elektriciteit wordt opgewekt. Deze centrale, de grootste voor zonne-energie in Europa, kan 11 megawatt produceren. Een standaard kolencentrale produceert 1000 megawatt. Foto’s AFP en Reuters A solar thermal power electric power plant in Sanlucar La Mayor on February 13, 2008. The plant works by using sunlight to generate heat. To generate this intense heat arrays of reflective mirrors are used to concentrate sunlight onto a central receiver which uses the collected heat to produce steam to power an engine to generate electricity which can be distributed through the electricity grid. It is the largest solar plant in Europe capable of producing 11megawatts of electricity. AFP PHOTO/CRISTINA QUICLER AFP

Hein-Anton van der Heijden

Docent Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Verbonden aan de Amsterdam School for Social Science Research.

De Europese Commissie heeft voorgesteld om de uitstoot van CO2 in de EU in 2020 met 20 procent te verminderen. Nederland heeft alvast een voorschot genomen, onder meer door het invoeren van een vliegtaks voor vluchten binnen Europa. De inkomsten hiervan komen echter niet het milieu, maar uitsluitend de schatkist ten goede, en de kans dat door deze maatregel minder mensen het vliegtuig zullen nemen moet klein worden geacht. Als vorm van duurzame energie worden biobrandstoffen ingevoerd, maar het bouwland voor de grondstoffen mais en suikerriet gaat ten koste van honderdduizenden hectares bos. Deze ontbossing draagt op zichzelf substantieel bij aan verandering van het klimaat.

Kortom, hoewel nog maar weinigen twijfelen aan de urgentie van het probleem, lijkt sprake van een acuut gebrek aan structurele, weldoordachte oplossingen. Goede bedoelingen zijn er genoeg, maar kortetermijndenken en nationaal eigenbelang voeren de boventoon. Sinds het vorig jaar verschenen rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), bestaat er een bijna mondiale consensus over de definitie en de oorzaken van het probleem. Klimaatverandering wordt veroorzaakt door menselijk handelen, de arme delen van de wereld zullen er meer door worden getroffen dan de rijke, maar voor bijna iedereen is het zaak om de mondiale stijging van de temperatuur beneden de twee graden Celsius te houden. Volgens het IPCC is dat ook mogelijk. Weliswaar dient de mondiale uitstoot van broeikasgassen drastisch, zeer drastisch, te worden verminderd, de technologie biedt hiertoe genoeg mogelijkheden.

Energiebesparing, gebruik van biomassa, schone technologie, ondergrondse opslag van CO2, kernenergie – het zijn de vertrouwde principes van wat in de milieusociologie ecologische modernisering wordt genoemd, de Europese vertaling van het begrip ‘sustainable development’ (duurzame ontwikkeling) van de commissie-Brundtland (genoemd naar de toenmalige Noorse premier Gro Harlem Bundtland die in 1987 het rapport Onze gezamenlijke toekomst presenteerde, red.) Economische groei en behoud van het milieu hoeven elkaar niet in de weg te staan, mits die groei maar slim wordt georganiseerd. Een verandering van de mondiale economische en politieke instituties en structuren, en de daaruit voortvloeiende ongelijkheidsverhoudingen, is volgens de theorie van de ecologische modernisering niet aan de orde.

Inderdaad zijn in het verleden met ecologische modernisering op nationaal niveau indrukwekkende resultaten behaald. Auto’s zijn schoner geworden, de vervuiling van lucht en water is in veel westerse landen aanzienlijk verminderd, en veel afval wordt tegenwoordig gerecycled. Ook in de strijd tegen klimaatverandering valt met ecologische modernisering nog veel winst te behalen. Maar of dat genoeg is?

In de discussie over het IPCC-rapport vaak wordt vaak vergeten dat het weliswaar is opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek, maar in feite een politiek compromis was. Nadat de wetenschappers hun werk hadden gedaan moesten de politieke vertegenwoordigers van landen met zulke uiteenlopende belangen als de Verenigde Staten, Bangladesh, Saoedi-Arabië en China het eens worden over een oplossingsstrategie die voor alle partijen aanvaardbaar was.

Laten we tegenover dit document nu eens de probleemanalyse en de oplossingsstrategie stellen van de milieugroepen die sinds het begin van deze eeuw deel uitmaken van de global justice movement, de beweging die zich verzet tegen neoliberale globalisering en strijdt tegen de gevolgen daarvan.

Volgens deze analyse, die grosso modo wordt onderschreven door mondiale milieu-ngo’s als Greenpeace en Friends of the Earth, vindt klimaatverandering haar belangrijkste oorzaak in de economische en politieke structuren die de huidige vorm van globalisering schragen. De alomtegenwoordige maar ongrijpbare macht van de multinationale auto-, olie- en voedingsindustrieën die een productie- en consumptiepatroon genereren, zorgen voor een nog grotere klimaatverandering. Tegen de handelsregels van de WTO moeten milieudoelen het stelselmatig afleggen. Het leningenbeleid van de Wereldbank werkt grootschalige ontbossing in de derde wereld in de hand.

De probleemanalyse van de ‘global justice movement’ is overtuigend en concreet. Maar dat geldt veel minder voor de oplossingsstrategie die zij voorstaat. Another world is possible, is het adagium – maar hoe die andere wereld er uitziet en hoe die kan worden gerealiseerd, blijft onderwerp van veel debatten en meningsverschillen, hoe interessant en inspirerend die ook mogen zijn.

Perfect passend binnen het denken van de global justice movement is overigens de oplossing die Princeton-filosoof Peter Singer in deze krant verdedigde (Opiniepagina, 13 juni 2007). Hij stelt voor de totale hoeveelheid broeikasgassen die kan worden uitgestoten zonder dat de temperatuur met meer dan twee graden stijgt, te delen door het totaal van de wereldbevolking, waarmee het toegestane uitstootaandeel per persoon wordt vastgesteld. Vervolgens wordt aan ieder land een ‘uitstootquotum’ toegekend, gelijk aan de bevolking van dat land, vermenigvuldigd met het aandeel per persoon. Landen die een hoger quantum nodig hebben kunnen dit eventueel kopen van landen die minder uitstoten dan hun quantum. Helaas geeft Singer niet aan hoe er mondiale politieke consensus over zijn even simpele als rechtvaardige voorstel kan worden bereikt.

Klimaatverandering is een probleem waarvan de ernst en de reikwijdte moeilijk kunnen worden overschat. Het is misschien, nu al, het meest fundamentele probleem van de eerste helft van de eenentwintigste eeuw. Volgens de Britse econoom en voormalig vicedirecteur van de Wereldbank Nicholas Stern zullen de kosten die klimaatverandering met zich meebrengt in 2050 zijn opgelopen tot 2.500 miljard dollar.

Klimaatverandering confronteert ons met de gevolgen van de moderniteit, met de gevolgen van de complexe wisselwerking tussen kapitalisme, industrialisme, militaire macht en de organisatie van de politiek in de vorm van nationale staten. Klimaatverandering is een van de ‘routinegevolgen van de moderniteit’. Kunnen we dan, voor een fundamentele aanpak van het probleem, blijven vasthouden aan de institutionele uitgangspunten van die moderniteit?

Volgens de socioloog Anthony Giddens dragen wetenschap en technologie ertoe bij dat de maatschappij, ook de mondiale, zich steeds verder ontwikkelt, dat het systeem zijn dynamiek behoudt. Het probleem is alleen, zoals Michel Foucault heeft laten zien, dat de keuze van de technologie allesbehalve vrij is en dat het gebruik ervan wordt bepaald door economische en politieke belangen en randvoorwaarden. Dit speelt ook een fundamentele aanpak van het klimaatprobleem parten. Een duidelijk voorbeeld is zonne-energie.

Volgens een recente studie van energie-econoom Bradford, uitgegeven door het MIT, is het technologisch nu al mogelijk om de huizen in het overgrote deel van de wereld te verwarmen met zonne-energie. Ook een aanzienlijk deel van de overige benodigde energie kan worden gegenereerd met behulp van de zon. Een van de oorzaken dat dit tot nu toe niet is gebeurd, zijn de grote economische belangen die schuilgaan achter de infrastructuur voor het transport van olie, elektriciteit en gas.

De kosten van energie vallen in twee delen uiteen: productiekosten en transportkosten. De productiekosten van zonne-energie (zonnepanelen, -spiegels, -boilers etc.) zijn nu al concurrerend, en zullen in de toekomst, bij massaal gebruik, aanzienlijk dalen. In de prijs van de aanleg en het onderhoud van een gas- en elektriciteitsnet zit echter veel minder rek.

De vraag is of zo’n gas- en elektriciteitsnet altijd noodzakelijk is. Is het niet denkbaar dat we het in de toekomst, net als nu al met de mobiele telefoon, kunnen doen zonder vaste aansluiting? Bradford beantwoordt deze vraag bevestigend. En ook bewoners van recent gebouwde, goed geïsoleerde woningen in Nederland merken nu al dat zij voor de levering van gas vaak veel meer betalen dan voor het gas zelf. Dat zij, zelfs in de winter, nauwelijks meer hoeven te stoken, en dat voor warm water ook een boiler kan worden aangeschaft. In de toekomst kunnen (en zullen) dan ook steeds meer nieuwe woonwijken worden gebouwd zonder aardgasnet.

Dat is echter nog lang niet het einde; ook een toekomst zonder centraal geleverde elektriciteit is heel wel denkbaar, en mogelijk. Maar daarvoor moet dan wel de politieke wil bestaan. Op dit moment, zo betoogt Bradford, is zonne-energie, al dan niet centraal geleverd, al de voordeligste vorm van energie voor miljoenen huishoudens in Japan, Duitsland en Californië. Niet voor niets zijn dit staten waar de overheid de verdere ontwikkeling en toepassing van zonne-energie actief stimuleert.

Maar de overheidssteun voor alle vormen van duurzame energie tezamen, mondiaal vijf miljard dollar per jaar, valt in het niet bij de 113 miljard dollar die de conventionele energie-opwekkers (steenkool, kernenergie) jaarlijks aan directe steun ontvangen. Wanneer ook indirecte steun wordt meegerekend, loopt de teller zelfs op tot boven de 200 miljard dollar per jaar.

Op hun beurt investeren de grote oliemaatschappijen nog steeds tientallen miljarden dollars in de aanleg van pijpleidingen voor het transport van olie en gas uit het Midden-Oosten en Rusland in de richting van Europa (en naar andere delen van de wereld). Die investeringen moeten worden terugverdiend ondanks de aanzienlijke klimaatschade die zij nog tientallen jaren met zich mee zullen brengen. Van de meeste oliemaatschappijen kan, ondanks alle retoriek, dan ook geen pro-actieve rol worden verwacht bij de grootschalige ontwikkeling van zonne-energie en andere duurzame energiebronnen.

Met de huidige inrichting van de economie en de belangenverstrengeling tussen oliemaatschappijen en politiek, staat die politiek, ook de Europese, hier tamelijk machteloos.

Of toch niet? Een paar maanden na zijn aantreden verraste de nieuwe Franse president Sarkozy de wereld met een plan om voortaan elk infrastructureel project, ja elke politieke beslissing, te beoordelen op zijn gevolgen voor het klimaat. In vergelijking met de huidige praktijk zou de bewijslast daarbij moeten worden omgekeerd: voor niet-duurzame projecten zou actief moeten worden aangetoond dat een duurzaam alternatief niet mogelijk is. Retoriek? De eerste uitwerkingen sluiten nauw aan op praktijken die al in gang zijn gezet, door de Europese Unie bijvoorbeeld, maar die buiten Frankrijk weinig bekend zijn.

Zo heeft Sarkozy het plan om een groot deel van het goederenvervoer over de weg te vervangen door vervoer over het spoor. Analoog aan de bekende TGV’s voor passagiers wordt een systeem van hogesnelheidstreinen opgezet voor het goederenvervoer. Dit project past naadloos binnen het Trans-Europese Transportnetwerk (TEN) van de Europese Unie, het netwerk van grensoverschrijdende wegen, waterwegen en spoorwegen, waarvan hogesnelheidstreinen voor personen en goederen een belangrijk onderdeel vormen.

Tot de kern van het netwerk behoort de hogesnelheidslijn tussen Amsterdam, Brussel, Londen, Parijs en Frankfurt, waardoor deze steden op ten hoogste vier uur reisafstand van elkaar komen te liggen. Hierdoor nemen nu al steeds meer mensen de trein in plaats van het vliegtuig of de auto. Maar het is de bedoeling om het Trans-Europese Transportnetwerk de komende jaren aanzienlijk uit te breiden, waardoor ook steden als München, Boedapest, Rome en de Spaanse costa’s worden aangesloten. Echter, om het vliegen binnen Europa te ontmoedigen en het reizen per HST te bevorderen dient dit reizen ook financieel aantrekkelijk te worden gemaakt. Datzelfde geldt voor het goederenvervoer over het spoor.

In Frankrijk, en ook binnen de EU moeten milieudoelen concurreren met economische belangen en financiële doelstellingen, en vaak delven zij daarbij het onderspit. De olielobby, de wegenlobby, de luchtvaartlobby en de autolobby zijn onvergelijkbaar veel machtiger dan degenen die opkomen voor het milieu.

De voorbeelden, niet meer dan dat, van de mogelijkheden van zonne-energie, van het duurzaamheidsplan van Sarkozy en van het duurzame deel van het Trans-Europese Transportnetwerk, laten zien hoe politieke beslissingen kunnen leiden tot substantiële gedragsverandering van, bijvoorbeeld, consumenten. Maar de effectuering hiervan vraagt om verdergaande politieke keuzes. Keuzes die een trendbreuk betekenen ten opzichte van het huidige beleid, en die de positie van de gevestigde economische belangen niet ongemoeid laten. Voor die keuzes is politieke moed nodig, die nu vaak afwezig is.

En dan nog. Europa levert bepaald niet de grootste bijdrage aan de CO2-uitstoot in de wereld. Die rol is weggelegd voor de Verenigde Staten en China. Maar wat de Franse en Europese projecten laten zien is dat het mogelijk is om klimaatverandering met actief, misschien zelfs visionair beleid tegen te gaan.

En met zulk beleid kan de Europese Unie mondiaal een voortrekkersrol spelen, een voorbeeld geven aan de wereld. Normative Power Europe wordt dat door politicologen genoemd. Het is niet veel, maar het is ook niet niets. Het meest is het misschien nog wel, om met de Italiaanse schrijver, politicus en politiek theoreticus Antonio Gramsci (1891-1937) te spreken, de overwinning van het optimisme van de wil op het pessimisme van het verstand.

    • Hein-Anton van der Heijden