In de olie zonder auto

De kelners hadden alles meegemaakt op bruiloften. Maar nog nooit een stel in een arrenslee.

Gearriveerd in een arrenslee Foto AFP France, Pyrénées-Orientales (66), la Cerdagne at wintertime, sleigh ride hemis.fr

Het was een zondag midden in de jaren zeventig, het sneeuwde als op middeleeuwse schilderijen en ik was kelner in het café annex feestzaal van mijn broer. Zijn etablissement, genoemd naar de burcht van Reynaert de Vos, lag temidden van Waaslandse akkers, als vanouds bolstaand, omzoomd door knotwilgen.

De sneeuw op de kasseiwegen vertoonde diepe schoenafdrukken. Afdrukken van autobanden waren er echter niet. Ook de autostrada verderop lag er onheilspellend vreedzaam bij. Waar morgen weer tientonners en sportwagens voorbij zouden razen, gooiden nu kinderen sneeuwballen. De stilte leek buitenaards. Een poëtisch cadeau, dankzij een crisis veroorzaakt duizenden kilometers verderop, in landen met een landschap vol woestijnen en een ondergrond vol olie.

In ons etablissement was de drukte overweldigend. Vooraan, in het café, hadden autoloze zondag plus ouderwetse winter geresulteerd in gelegenheidsspijskaart ‘Breugeliana’: kapoenborst, rijstpap, tien soorten worst, vier soorten brood en als topper: bierpap.

Vooral dat trok vele nieuwsgierige wandelaars aan. Men verbaasde zich over de zwaarzoete smaak van de pap, naar aloud recept gemaakt van pruimen en rijst, en een mengeling van bieren die verhitte discussies uitlokte. Was er meer Kriek Lambiek gebruikt dan Rodenbach of Mort Subite? Allicht dat laatste, gelet op de lome dronkenschap die subiet toesloeg na het tweede bord.

Achteraan, in de feestzaal, was een bruiloftspartij aan de gang. Ze had de dag daarvoor zullen plaatsvinden, maar de echtelieden hadden te elfder ure besloten hun eeuwige gelofte te verbinden met de kortstondige autoloze realiteit. Ze hadden hun limousine afgebeld en waren gearriveerd in een arrenslee. Getrokken door twee paarden, met pluimen op het hoofd en bellen aan de riemen waarmee ze waren ingespannen. Ze briesten hun adem als stoom de vrieskou in. Het verse echtpaar zat achter de menner trots te vernikkelen onder een hoop dekens, met applaus begroet of verstomd achternagestaard waar ze ook passeerden.

Wij, de kelners, hadden al alles meegemaakt op bruiloften. Dachten we. We hielden het meest van afzeggingen op de ochtend van de grote dag zelf: een van beide verloofden had zich bedacht, vlak voor het altaar. We mochten van het buffet eten, het restant werd opgehaald door de beschaamde vader van de bruid, en wij werden alsnog voor niet geleverde arbeid betaald.

Gevaarlijker waren de vechtpartijen. Onverwachts, laat in de nacht, tussen de wederzijdse families. Of erger: binnen één enkele familie, tot verbazing en verontwaardiging van de andere, die vaak alsnog een gevecht begon tegen de eerste clan.

We hadden bruiloften der verstotenen meegemaakt: een van beide trouwers daagt moederziel alleen op en wordt overdreven liefdevol opgenomen in de schoot der schoonfamilie. We hadden meermaals het klassiekste der drama’s beleefd: de betrapte bruidegom, die in een wc de beste vriendin van zijn vrouw aan het neuken was. „En je was nog wel onze getuige!” schreeuwde een van de bedrogenen tegen haar vriendin. Het feest was daarna snel afgelopen.

Maar nog nooit arriveerde een pasgetrouwd stel in een arrenslee.

En nog nooit bleek een trouwfeest gebonden aan zulke strakke regels. De beide families overtroffen elkaar in etiquette. Galajaponnen, smokings, gelakte schoenen... Ze waren hierheen mogen komen in een autocar, dankzij een bijzondere vergunning. Dus ze hadden nog een lange arm, ook.

Geen onvertogen woord, geen drankmisbruik, geen gemoedelijkheid. Niemand die al na het aperitief begon te zingen, te kaarten of ruzie te stoken. Wij werden er navenant verkrampt van. Ik zag de hoofdkelner meer dan eens verdwijnen naar het café aan de voorkant, waar het geroezemoes tenminste gezellig opsteeg. Samen met de geur van bierpap.

Het hoofdgerecht van de bruiloft bestond uit wildgebraad. Het diende onder het oog van alle genodigden te worden versneden op de dientafel, die in het midden stond van de hoefijzervormige feesttafel. Ik zag de hoofdkelner met verdachte zwierigheid de keuken uitkomen, zijn dienblad hoger heffend dan nodig was. Hij liep in een rare boog naar het midden van het hoefijzer der tafels, klakte met zijn hakken en hield zijn dienblad schuin, om het bruidspaar een goede blik te gunnen op het magistrale wildgebraad.

Eerst viel er alleen een erwtje van de groentekrans op de grond. Dan een worteltje. Dan een spruit. Ten slotte donderde het hele gebraad met saus en al de vloer op.

„Het is lekker”, knikt de bruid, kauwend met open mond. Een paar minuten geleden heeft de hoofdkelner het gebraad doodgemoedereerd met een vork van de vloer opgepikt en naar de keuken gebracht, waar het werd versneden en over borden verdeeld. „En zo kruidig”, knikt de bruidegom, eveneens kauwend en knikkend. Geen onvertogen woord, geen klacht. Niemand lijkt het gebraad te hebben zien vallen. „En zo mals!” „Absoluut, schat!”

Buiten begint het opnieuw te sneeuwen. De beide paarden briesen. En hun bellen weerklinken helder in dezelfde nacht waar, heel in de verte, de eeuwige zoem der autostrada’s opnieuw zijn aanvang neemt.