‘Ik ben een uitvoerende sukkel’

Rob van Trotsenburg Foto Maurice Boyer Rob van Trotsenburg Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 080313 Boyer, Maurice

Naam: Rob van Trotsenburg (57)

Rang: Inspecteur

Functie: projectleider en hulpofficier van dienst

Verdient: 3.360 euro bruto waarvan hij 1.800 euro netto overhoudt

Rob van Trotsenburg woont in een eengezinswoning in Amstelveen. Ervoor staat een Toyota Corolla, een hedgeback van negen jaar oud. Hij woont al vijfentwintig jaar in de nieuwbouwwijk. Zijn vrouw was hoofd van de personeelsafdeling van de bloedtransfusiedienst in Amsterdam. Ze stopte met werken om thuis te zijn voor de kinderen. Die zijn nu getrouwd.

Op dinsdagavond speelt hij trompet in de big band van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Hij is 57, werkt nog maar 32 uur per week. Hij draait geen nachtdiensten meer. Op avonden en in weekenden werkt hij wel.

De laatste keer had hij dienst op zaterdag en zondag van drie uur ’s middags tot elf uur ’s avonds. Er waren aanrijdingen waarbij gewonden vielen, opstootjes, aanhoudingen. Hij werd ook gebeld door een wijkagent uit Amsterdam-West, die was gebeld door een Marokkaans contact. En die Marokkaanse man was weer benaderd door de vriendin van een meisje dat zei verkracht te zijn. De zedenpolitie kwam erbij, het pand werd geobserveerd. Het meisje was om vier uur ’s middags verkracht. Hij bracht de verdachte vier uur later het politiebureau binnen.

Hij deed mulo-B en erna de politieschool in Amsterdam. Hij werd agent, hoofdagent, brigadier. Nu is hij inspecteur. Hij is ook hulpofficier van dienst. Dat betekent dat hij veel dingen mag die een officier van justitie ook mag. Zoals beslag leggen op de woning of auto van een schuldeiser. Dat deed hij vorige week dinsdag toen hij een dag meeliep met een deurwaarder.

Hij is ook projectleider en bespreekt iedere week met beleidsambtenaren, coördinatoren en juristen van de gemeente hoe ze het best kunnen optreden tegen jongeren die overlast veroorzaken, of tegen horecagelegenheden die zich niet aan de regels houden.

Die ambtenaren vragen hem wat moet gebeuren. Hij beslist. Maar zij hebben een hoger inkomen.

Het is alweer dertien jaar geleden dat hij inspecteur werd. Hij kreeg er netto honderd euro per maand bij. Het was de laatste keer dat hij een opslag kreeg. Hij verdient 3.360 euro bruto per maand. Hij houdt er 1.800 euro van over.

Dat is meer dan sommige andere politiewerknemers krijgen. En dan werkt hij nog maar 32 uur in de week in plaats van de 36 uur die de anderen werken. Twee jaar geleden kon hij gebruikmaken van een regeling die politiemensen van 55 jaar en ouder in staat stelt minder te werken.

Een wijkagent op het bureau heeft vier studerende kinderen en verdient netto maar 1.500 euro per maand.

Hij houdt wel minder over dan dertien jaar geleden. Hij heeft een dure zorgverzekering. Hartpatiënt. Zijn vrouw was vóór de invoering van een nieuw zorgstelsel via de politie gratis verzekerd. Nu betaalt hij ook voor haar 120 euro per maand. Hij kreeg ook minder reiskostenvergoeding.

Hij betaalt 500 euro aan huur. Zijn kinderen schuift hij soms iets toe. Helpt hij ze mee hun huis in te richten.

Hij was ooit wachtcommandant op een politiebureau in Amsterdam-Zuid. Daar was hij verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken op het bureau. Hij mocht over bijna alles zelf beslissen.

Hij heeft nu meer verantwoordelijkheid dan toen. Hij leidt zeven wijkteams. Maar nu moet hij ineens voor bijna alles wat hij doet toestemming vragen aan zijn leidinggevenden. Zoals er in het onderwijs en de zorg meer managers kwamen, zo kwamen er bij de politie meer commissarissen, hoofdinspecteurs en hoofdcommissarissen, terwijl er minder politiemensen zijn om het werk uit te voeren. „Nu ben ik een uitvoerende sukkel.”

Ook op straat heeft hij minder te vertellen. Hij heeft minder aanzien. Als hij een paar jaar geleden in uniform bij bijvoorbeeld een horecapand, of een verkeersongeval arriveerde, lieten de eigenaren, of omstanders hem zijn gang gaan. Nu moet hij steeds vaker uitleggen wie hij is, wat hij doet en dat hij bevoegd is om op te treden.

Gaat hij collega’s assisteren, komt hij terug, zit er ineens een deuk in zijn politieauto, of is een raam van de auto ingeslagen. Naast het politiebureau staat een vmbo school. Er zitten veel allochtone leerlingen op. Hij zegt dat ze hem soms ‘met haatogen’ aankijken.

Op straat wordt hij uitgescholden, op feestjes wordt denigrerend over de politie gesproken.

En nu minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken. Ze vergeleek het werk van een politieagent met het werk van een buschauffeur of een trambestuurder. Die hebben ook te maken met geweld. Hij lacht daarom. Politieagenten hebben ook een mbo-opleiding, zei de minister ook. Dan wordt hij boos. Hij heeft zich sinds 1972 bijna ieder jaar bijgeschoold. Deed de kaderschool, juridische opleidingen.

In Den Haag bepalen politici en ambtenaren toch wat wat hij moet doen en hoe hij zich moet gedragen, zegt hij. Als ze daar nou in ieder geval eens wat aardigs zouden zeggen over de politie.