Het Somalische gezin had liever geld gewild

Bij de crisisdiensten van jeugdhulpverlening zijn allochtone gezinnen oververtegenwoordigd. „Hulpverleners diagnosticeren met een westerse bril op.”

Als vier kinderen op twee matrassen slapen met enkel een handdoek erop, is dat erg? Of als kinderen geen ondergoed dragen? Als de kinderen wel naar school gaan, maar verder niet buiten komen, is dat erg?

Rosamunda Spruyt, hulpverlener bij de crisisdienst van Bureau Jeugdzorg Haaglanden, worstelt soms met die vragen. „Als een vader zijn kind mishandelt, is dat natuurlijk onacceptabel”, zegt ze. „Maar allochtone gezinnen hebben soms heel andere gewoonten. De vraag is of mijn manier altijd de beste is. Soms twijfel ik. Is er een crisis, of zie ik alleen een crisis?”

Allochtonen zijn oververtegenwoordigd bij haar crisisdienst: het percentage allochtonen schommelt tussen de 60 en 70, terwijl in dat werkgebied ongeveer 20 procent van de bevolking allochtoon is. Maar bij de reguliere jeugdzorg zijn ze juist ondervertegenwoordigd. In andere grote steden is het beeld hetzelfde.

En dit speelt niet alleen in de jeugdhulpverlening. Niet-westerse migranten (vooral Marokkanen, Surinamers en Antillianen) lopen een hoger risico op gedwongen opname dan autochtonen, zo blijkt uit onderzoek. „Het gevaar dat iemand vormt voor anderen schatten hulpverleners hoger in bij allochtonen dan bij autochtonen”, zegt psychiater en onderzoeker Niels Mulder. „Het gaat dan om dreiging. Bijvoorbeeld gebaren die ze als bedreigend ervaren en dat mogelijk niet zijn.”

De Haagse politie belde de crisisdienst Haaglanden met een melding over een Somalisch gezin. De vader had een Somalische illegale onderverhuurder met een koekenpan op het hoofd geslagen. Het bloed spoot eruit. De agenten troffen een zeer smerig huis aan, de kakkerlakken kropen over de vloer. Bovendien moest het gezin van de huiseigenaar op zeer korte termijn verhuizen. Er waren vier jonge kinderen (5, 6, 9 en 10 jaar).

Rosamunda Spruyt schuift op een middag aan tafel bij het gezin. De moeder, een frêle vrouw met losse hoofddoek, stuurt haar protesterende kinderen naar boven. Ze kijken net zo fijn naar de tv. De twee jongsten lopen in pyjama. Op de grond doen twee matrassen dienst als bank. Een tafel en zes stoelen, wat verhuisdozen en vele uitpuilende plastic zakken. Smoezelige gordijnen, vies zeil.

Aanvankelijk, zegt Spruyt, stond het gezin open voor hulp. „Alleen, ze hebben een ander beeld van hulp dan wij. Zij verwachten dat een hulpverlener helpt met verhuizen, dat hij zorgt voor een nieuw gasfornuis.” Die houding ziet Spruyt vaker bij Afrikaanse gezinnen. „Dat ik kom om hen te helpen het zelf te doen, vinden ze belachelijk.”

„De manier waarop je tegen de wereld aankijkt, wordt sterk beïnvloed door de cultuur waarin je opgroeit”, zegt Glenn Helberg, kinderpsychiater bij het Riagg Rijnmond en zelf Antilliaan. Het is de taak van de hulpverlener, vindt hij, een brug te slaan tussen die cultuurbepaalde denkkaders.

Hij geeft het voorbeeld van een Congolese moeder die met haar dochtertje met ADHD langskomt. Hij probeert erachter te komen hoe ze het probleem zelf ziet. „In Afrika”, zegt de moeder, „zeggen we dat deze kinderen warm bloed hebben. Ze worden vanzelf rustiger als ze ouder worden.” Helberg legt uit dat dat klopt, maar dat ADHD ook andere symptomen heeft die niet verdwijnen. Daarvoor zijn goede medicijnen.

Hulpverleners moeten zich verdiepen in de achtergronden van hun cliënten, vindt Helberg. Waar ze vandaan komen, wat ze zelf als probleem zien en aan welke oplossing ze denken. Anders voelen ze zich niet begrepen en vragen ze niet om hulp. Zo hou je de oververtegenwoordiging bij de crisisdienst in stand.

„Bij een crisis is kennis van de culturele achtergrond van het gezin essentieel”, zegt teamleider van de crisisdienst Léon van Sasse van IJsselt, „om bijvoorbeeld de reactie op waarde te schatten”. Allochtone cliënten reageren vaak emotioneler dan autochtone. Het komt voor dat een Hindoestaanse moeder in de vensterbank staat en dreigt te springen als haar dochter niet nú naar huis komt. Of gewoon ter plekke flauwvalt. „In onze spreekkamers spelen zich soms scènes af die zo uit een Bollywoodfilm zouden kunnen komen. Als hulpverleners d at niet weten, denken ze dat het om een crisis gaat.”

Maar het is een illusie dat hulpverleners alle gebruiken en gewoonten kennen, zegt Van Sasse van IJsselt. Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft diverse deskundigen, collega’s uit tal van landen, vrijwilligers die kunnen vertellen of iets typisch Marokkaans is, of typisch Hindoestaans.

Indra Boedjarath vindt het schokkend hoe weinig aandacht er is voor interculturalisatie in het lesprogramma van hulpverleners en artsen. Zij is directeur van Mikado, het landelijke kenniscentrum voor interculturele zorg in Rotterdam. „Artsen en verpleegkundigen krijgen tijdens hun opleiding één dagdeel interculturalisatie. Stel dat je daarna als huisarts in een zwarte wijk gaat werken.”

Volgens Boedjarath loopt het door onkunde vaak al mis bij de diagnose. „Hulpverleners diagnosticeren met een westerse bril op.” „In verschillende culturen zijn mensen niet gewend om te psychologiseren, maar vertalen ze klachten lichamelijk. Als een Marokkaanse vrouw binnenkomt, op haar hoofd wijst en zegt: ‘Daar doet het pijn’, moet ze niet meteen worden doorgestuurd voor een foto. Het is heel goed mogelijk dat ze last heeft van stress.”

Rosamunda Spruyt was minder welkom bij het Somalische gezin toen bleek dat ze niet zou gaan soppen of een envelopje geld meebracht. Toen ze, op verzoek van de moeder, met de sociale dienst belde om te verifiëren waarom de uitkering was stopgezet, waren de rapen gaar. De medewerker van de sociale dienst vroeg of vader ook in huis woonde. „Ja”, zei Spruyt. De dienst vermoedde het al, maar nu leek de kans verkeken om de uitkering te hervatten. „Ik ben boos dat je dat hebt gezegd, hij woont hier niet”, zegt de moeder nu geagiteerd. „In het vorige huis woonde hij toch wel”, vraagt Spruyt. „Nee”, zegt de moeder. „Ik woonde alleen met de kinderen. Ik wil die man niet eens in huis.” „Waar woont hij dan?” „Bij vrienden.”

En dan vertelt Spruyt ook nog dat ze de Raad voor de kinderbescherming heeft gevraagd om een onderzoek. En dat dat echt niet betekent dat haar kinderen wegmoeten, maar wel dat er grote zorgen zijn. Moeder wordt nu echt boos. „Ik kom uit Somalië”, roept ze. „Ik ben uit mijn land gerend. En ik wil niet weer rennen.”

Spruyt vraagt of ze even mag rondkijken. In de keuken vindt ze een pak rijst, spaghetti en twee hotelcakes. Fruit en groente is er niet. „Niet veel eten voor vijf mensen”, zegt ze vriendelijk. „Ik moet nog boodschappen doen”, antwoordt de moeder.

Spruyt kijkt nog even in de badkamer. Die is nagenoeg leeg. Er ligt alleen een herenscheerapparaat.