Bang, boos en hervormingsmoe

Het wringt in Nederland, net als elders in Europa. Leraren in Delft hebben acties aangekondigd, in Berlijn staakt het openbaar vervoer. De globalisering ondergraaft overal de arbeidsverhoudingen.

Een demonstrant protesteert tegen de voorgenomen sluiting van de Nokiafabriek in het Duitse Bochum. Nokia wil de productie overhevelen naar Roemenië waar de lonen veel lager zijn Foto Reuters A protestor wearing a t-shirt reading 'Not IntoThe Off Without Fight' demonstrates in front of the branch of Finnish cellphone manufacturer Nokia in Bochum February 10, 2008. Nokia's plans to shut Germany's last mobile telephone factory, in Bochum, and move production to Romania have created a storm of protests. The world's largest handset maker says the plant is not competitive and has to be shut. REUTERS/Alex Grimm (GERMANY) REUTERS

Zorgvuldig schuift de baliedame achter het glas de zegelvelletjes ‘Winterbomen’ in het schuifbakje naar me toe. „Denk maar niet dat ik het leuk vind”, fluistert ze. Nog is ze in het uniforme ‘postblauw’ gestoken. Ruim 38 jaar werkt ze op het postkantoor aan het Prins Hendrikplein in Den Haag. Maar ook hier gaat de deur dicht, definitief.

Het nieuws vorige week van TNT Post (de vroegere PTT) en ING Bank dat de laatste zelfstandige postkantoren in Nederland zullen verdwijnen, is bij de werknemers hard aangekomen. De postwerknemers moesten in de kranten lezen dat ook de laatste 250 postkantoren in Nederland sluiten waarmee 1.850 banen verloren gaan.

Met de sluiting van de traditionele postkantoren wordt het proces van marktwerking voltooid waarbij de staat de voormalige monopolist PTT geleidelijk losliet. Maar op de postmarkt waait de gure wind van de globalisering. De concurrentie is hard en de opkomst van e-mail zet de sector onder druk. Besparingen, reorganisaties, massaontslagen – TNT zit er middenin. Stemmen de vakbonden niet in met forse versobering van arbeidsvoorwaarden, dan volgen er nog meer ontslagen.

Het wringt in Nederland. De politie voerde weken actie omdat ze met het kabinet geen akkoord kan bereiken over een structurele loonsverbetering. De actiebereidheid lijkt ook over te slaan op onderwijzend en verplegend personeel. Leraren in Delft en Den Haag hebben al wilde acties aangekondigd. In Duitsland is het niet anders. In Berlijn wordt al een week in het openbaar vervoer gestaakt omdat werknemers van bus, tram en metro hoger salaris eisen. Het debat over buitensporige topinkomens van managers wordt net als in Nederland met felheid gevoerd.

„Er bestaat scepsis bij de mensen over het functioneren van de sociale markteconomie”, stelde bondskanselier Angela Merkel onlangs vast tijdens een ontmoeting met ondernemers in München. „Het is niet meer vanzelfsprekend dat als het goed gaat met de bedrijven, het ook goed gaat met werknemers in Duitsland”, zei ze. Deze zekerheden zijn verdwenen als gevolg van de globalisering. Het omkopen van de voorzitter van de ondernemingsraad bij Volkswagen door het management, zwart geldaffaires waarin toonaangevende ondernemers verwikkeld zijn, de exorbitant hoge beloningen voor bestuurders en de aanhoudende uitstoot van banen maken het vertrouwen in het sociale model er volgens Merkel niet groter op.

In Nederland is het polderoverleg in doormodderen vastgelopen. De Sociaal-Economische Raad, waarin werkgevers, vakbonden en onafhankelijke Kroonleden verenigd zijn, lukt het maar moeilijk om eenstemmig adviezen over belangrijke sociaal-economische kwesties aan de regering uit te brengen. Niet over het ontslagrecht, niet over het bijstellen van het machtsevenwicht in ondernemingen waar de macht naar de aandeelhouders is doorgeslagen.

Agnes Jongerius, de machtigste vakbondsvrouw van Nederland, heeft wel een idee over de oorzaak. In haar werkkamer, in het hoge flatgebouw van de vakcentrale in Amsterdam Slotervaart, legt de FNV-voorzitter een grote gekleurde sticker op tafel. Daarop geeft een grafiek de ontwikkeling weer van de Europese economieën sinds 1995. „Kijk naar de feiten”, staat er in gele en witte letters. „Lonen omlaag, winsten omhoog.” „De globalisering heeft de welvaart in de wereld vergroot, maar ook de ongelijkheid”, zegt Jongerius.

Begin dit jaar in Davos, tijdens het World Economic Forum waar de kopstukken in de mondiale politiek en economie elkaar ontmoeten, merkte Jongerius dat het tij begon te keren. Zelfs de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, Ben Bernanke, waarschuwde voor een terugslag als de politiek er niet in zou slagen de vruchten van de mondiale economische integratie voldoende te verdelen.

„Mensen worden boos als de politiek maar blijft volhouden dat we uitsluitend profijt ondervinden van de globalisering”, zegt Jongerius. „Maar de meiden in de thuiszorg, de mannen bij de post en de honderden werknemers bij Calvé wier bedrijf gesloten wordt, betalen een hoge prijs.” Ze noemt het „verrassend” dat PvdA-leider Wouter Bos, tevens minister van Financiën, tijdens de Bilderbergconferentie van ondernemers vorige maand in Arnhem, voor het eerst openlijk sprak over de verliezers van de modernisering. Een verwijzing naar de schaduwzijde van de globalisering had ze van de sociaal-democratische leider nog niet gehoord sinds zijn partij in de regering kwam.

Net als Merkel drukte Bos de ondernemers in Arnhem op het hart: „Als we geen oog hebben voor de onzekerheden die de modernisering met zich mee brengt voor heel veel mensen, zal het draagvlak langzaam maar zeker eroderen.” Dan keert Nederland zich nog meer naar binnen, waarschuwde Bos. Het zal de buitenwereld steeds meer als bedreiging zien en de verongelijktheid zal toenemen. „De voedingsbodem voor protectionisme, economisch en politiek chauvinisme en anti-bedrijfsleven sentimenten zal groter worden.”

Het consensusmodel in de Rijndelta, waarbij werkgevers, werknemers en overheid op diverse niveaus samenwerken, maakt een pijnlijk aanpassingsproces door. De mondialisering van de economie zet de nationale structuren onder druk die na de Tweede Wereldoorlog zijn ontwikkeld. De sociale cohesie neemt af, terwijl juist die samenhang in landen met een sociale markteconomie de basis vormt voor hervormingsgezindheid.

In een donkere zaal van het Ahoycomplex in Rotterdam gaf topondernemer Hans Wijers van Akzo Nobel het publiek van bankiers en ondernemers onlangs zijn diagnose over het sociale model. „Nederland verliest aan momentum”, zei Wijers vorige maand tijdens een congres van ABN AMRO over globalisering. „Er is te weinig aandacht voor grote thema’s, voor de plaats van Nederland in de wereld. Het land is hervormingsmoe, terwijl verdere modernisering noodzakelijk is: van de arbeidsmarkt die te veel niet-actieven heeft, van de vastgelopen woningmarkt. En een duurzame energievoorziening vraagt om keuzes.”

„Is ons befaamde poldermodel in staat zo’n agenda voor de toekomst te leveren?” hield Wijers zijn toehoorders voor. Over het antwoord verschillen de meningen.

Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, is optimistisch. „Het totale beeld is zeker niet desastreus. Nederland hoort nog altijd bij de top van Noord-West Europa. De Scandinavische landen laten zien dat het lukt om met een sociaal beleid ook concurrerend te blijven.”

„We moeten blijven hervormen”, zegt Rinnooy Kan. Globalisering vereist dat. „Hetzelfde blijven doen is niet goed genoeg. We moeten ons stelsel wel op een fatsoenlijke manier aanpassen. Er staan in Nederland nog te veel mensen langs de kant. We zullen een enorme inspanning moeten leveren om in kennis, in onderwijs te investeren, zodat aan de top maar ook aan de onderkant mensen meer bagage krijgen om zich op de arbeidsmarkt te kunnen redden. Dat hoort bovenaan op onze sociale agenda te staan.”

De econoom Sweder van Wijnbergen gelooft niet dat die hervorming binnen het huidige sociale model kan worden gerealiseerd. „Het Rijnlandse model is nu een fictie. Het werkte in een ander soort maatschappij”, zegt Van Wijnbergen, hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam en voormalig secretaris-generaal bij Economische Zaken. Het was een model dat direct na de Tweede Wereldoorlog goed werkte, omdat de overheid een breed draagvlak wilde hebben bij de wederopbouw van het land. „Het poldermodel met zijn sturende overheid bij de loonvorming was lange tijd effectief. Dat kon ook in een niet al te open economie die meer voorspelbaar was. Maar de opkomst van de vrijere handel in de jaren zeventig, en de stroomversnelling van de globalisering na de val van de Berlijnse Muur in 1989 hebben de omgeving dramatisch veranderd.”

Hij wijst op de starre corporatistische structuren van het Rijnlandse model. Duitsland en Frankrijk zag je daarop vastlopen, zegt de econoom. Intussen heeft Duitsland met het hervormingsprogramma van de vorige kanselier Gerhard Schröder ‘Agenda 2010’ een begin gemaakt met modernisering van de economie. De sociale zekerheid (bijstand, WW) is afgeslankt, de pensioenleeftijd verlengd, en het netwerk tussen banken en bedrijven die via deelnemingen nieuwkomers en het buitenland buiten de deur hielden ontvlecht. „President Sarkozy is nog maar net begonnen met de verbouwing van de verstarde verzorgingsstaat. Hervorming van de arbeidsmarkt, het pensioenstelsel, en de interne economische structuur moeten nog op gang komen. Vergeleken met deze landen, is er sinds de jaren tachtig in Nederland veel gebeurd. Maar Nederland heeft, vergeleken met Duitsland en Frankrijk, ook heel redelijke en meedenkende vakbonden”, stelt Van Wijnbergen vast.

Niek Jan van Kesteren, algemeen directeur van VNO-NCW en spreekbuis van het Nederlands bedrijfsleven wijst op de ups en downs die het poldermodel heeft gekend. „In de jaren vijftig werkte de samenwerking tussen werkgevers, werknemers en regering goed. Maar tijdens de politieke polarisatie in de jaren zestig en zeventig ging de consensus verloren. Begin jaren tachtig was de economische situatie dermate rampzalig met een torenhoge werkloosheid, inflatie en staatsschuld, dat de drie partijen de handen ineen sloegen en in 1982 het Akkoord van Wassenaar tot stand kwam. Dat luidde het begin in van een lange periode van loonmatiging en vormde de opmaat naar de hervorming van het sociale stelsel in de jaren negentig.” Van Kesteren somt de verworvenheden op: hervorming van de WAO, verlaging van de vennootschapsbelasting, langer doorwerken tot de pensioenleeftijd.

Nederland staat nu op een kruispunt, meent Van Kesteren. „De bereidheid om aan te passen is er even niet. De achterban is hervormingsmoe. Voor de vakbeweging, die vele jaren coöperatief was, is het nu mooi geweest. Het kan goed aflopen, maar het kan ook fout gaan.” Hij put hoop uit het unanieme SER-advies van gisteren waarin het taboe op kernenergie wordt doorbroken.

In Duitsland heeft de regering-Merkel de teugels inmiddels stevig aangetrokken. De grote coalitie van sociaal-democraten en christen-democraten wil de burgers laten zien dat de staat heus nog iets te betekenen heeft in de globaliserende wereld. Of het nu gaat om duurzame staatsinvloed bij Airbus, om barrières tegen staatsinvesteerders uit China en Rusland, of om openlijke steun aan met ontslag bedreigde stakers bij Nokia in Bochum.

Ook in Nederland moet de staat zich duidelijker manifesteren als het gaat om de mondialisering, vindt de Amsterdamse econoom Arnoud Boot. De balans is in Nederland te ver doorgeschoten – naar de aandeelhouders, de ‘markt’, ja, naar het kapitaal. „De staat moet een aantal zaken veel dichter naar zich toehalen’’, vindt Boot, hoogleraar ondernemingsfinanciering aan de Universiteit van Amsterdam en onafhankelijk Kroonlid bij de Sociaal-Economische Raad. Hij maakt deel uit van de werkgroep Globalisering in de SER, die op verzoek van staatssecretaris Frank Heemskerk een advies over de globalisering opstelt.

Net als onderwijs moeten woningcorporaties en pensioenfondsen weer dichter onder de overheidsparaplu getrokken worden, meent Boot. „Anders worden deze instellingen door Brussel van oneerlijke concurrentie beschuldigd en komt de publieke taak waar ze voor staan in gevaar. Alles wat halverwege publiek en privaat blijft hangen, is niet gedefinieerd en dat is vragen om moeilijkheden.” Alleen als de staat het politieke domein duidelijk afbakent, kan ze opkomen voor de sociaal zwakken en naar de burgers het vertrouwen uitstralen dat er ondanks de globalisering nog iets bestaat als nationaal beleid’’, zegt de Amsterdamse hoogleraar. „Dat roept de globalisering over zich af.” Natuurlijk maakt het proces van mondialisering grotere welvaart mogelijk, maar het is ook onvriendelijk. Voor werknemers bij de gloeilampenfabriek van Philips in Weert die moet sluiten, voor vijftig plussers die nergens meer aan de bak komen. Er zijn per definitie winnaars en verliezers, zegt Boot.

Een kleine open economie zoals Nederland die zo afhankelijk is van het buitenland, heeft volgens hem slechts twee keuzes. „Of we drijven mee met het Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme. Of we gaan er vanuit dat we nog een Rijnlands model hebben, maar dat moeten we moderniseren en de aantrekkingskracht ervan kunnen uitleggen aan het buitenland. Nederland is als kleine open economie geïnternationaliseerd. We kunnen een katalysator zijn van vernieuwing”, zegt Boot. „Maar dan moeten vernieuwers wel ruim baan krijgen”, zegt Boot, anders is het poldermodel ten dode opgeschreven.

Ton Wilthagen is zo’n vernieuwer. De jonge hoogleraar arbeidsmarktsbeleid uit Tilburg is net terug uit Turijn waar hij de inwoners van de Piemonte heeft uitgelegd dat flexibiliteit op de arbeidsmarkt niemand bang hoeft te maken. Er moet natuurlijk wel iets tegenover staan. Flexicurity is het buzzword, waarmee Wilthagen door Europa reist. Het is een bewuste strategie om de arbeidsmarkt en de organisatie van arbeid soepeler te maken, en tegelijkertijd meer zekerheid te ontwikkelen op het gebied van werk en inkomen.

Wilthagen haalt graag Charlotte aan, een werkneemster bij het Deense Lego die veel collega’s zag vertrekken omdat het bedrijf deelactiviteiten naar Tsjechië verplaatst. „Ík maak me er niet echt druk over als ik mijn baan zou verliezen. Ze zorgen goed voor je bij Lego als je ontslagen wordt, ze laten je niet aan je lot over.” De zekerheidsgevoelens van Charlotte hebben alles te maken met flexicurity, een web van maatregelen: korte, hoge werkloosheidsuitkeringen, omscholing, soepele arbeidscontracten.

Ruim tien jaar geleden maakte Nederland in Europa furore met de wet flexibiliteit en zekerheid, waardoor de groep uitzendkrachten fors groeide en tegelijkertijd bescherming kreeg. Terwijl het denken in Nederland hierover is opgehouden, wist Wilthagen de Europese Commissie en de Europese regeringsleiders van het concept te overtuigen. Vorig jaar zomer kwam de Commissie met een notitie over flexicurity naar buiten waarmee Commissaris Spidla van Sociale Zaken in Europa de boer opgaat.

„We moeten in Nederland nieuwe dynamische zekerheden ontwikkelen”, zegt Wilthagen. Nederlanders zijn helemaal niet tegen concurrentie. Maar de globalisering kent geen wederkerigheid. Dat vergroot de angst bij mensen uit de boot te vallen. Hij pleit voor een nieuwe variant van het fameuze ‘Akkoord van Wassenaar’ uit 1982. De overheid kan een cruciale rol spelen bij de modernisering van het Rijnlandse model.

„We hebben een ‘akkoord van Kanaleneiland nodig’ ”, genoemd naar de sociaal problematische wijk in Utrecht, zegt Wilthagen. „Je kunt de ontslagbescherming wel versoepelen, maar dat is een brug te ver als je niet ook met nieuwe zekerheden komt, die de fear of falling wegnemen. Er is een perspectief nodig, een gezamenlijk doel. Een nieuw sociaal akkoord van Kanaleneiland is een gebaar naar groepen die aan de kant staan”, zegt de arbeidsmarktspecialist. Hij noemt het essentieel dat outsiders zoals allochtone jongeren, vrouwen en ouderen gemakkelijker op de arbeidsmarkt komen. De insiders zullen moeten inschikken. Daar moet wel iets tegenover staan: scholing, meer instrumenten om ondernemer te worden, collectieve voorzieningen die niet meer via premies maar via belastingen worden betaald.

Dat vereist een kleine sociale revolutie, geeft Wilthagen toe. „We moeten een grote sprong voorwaarts maken om het gevoel van malaise te doorbreken. Laat de partijen uit hun loopgraven komen. Zonder dialoog, geen hervormingen.”

    • Michèle de Waard