Arme mijnheer B

Langzaam begint Nederland te beseffen dat 3,5 procent veel geld kan zijn. 3,5 is het maximale percentage kosten dat verzekeraars volgens de ombudsman financiële dienstverlening Jan Wolter Wabeke jaarlijks mogen inhouden op het beleggingsresultaat in beleggingsverzekeringen.

Dit voorstel, vorige week gedaan, is weggehoond door consumentenorganisaties. Op zich is dat terecht. 3,5 procent is bizar voor beleggingsbeheer.

Daarbij is het nut van actief fondsbeheer twijfelachtig. Zo steeg de Amerikaanse beursindex S&P 500-index van 1980 tot 2005 gemiddeld 12,3 procent per jaar. In diezelfde periode deed het gemiddelde beleggingsfonds jaarlijks maar 10 procent, blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse beleggingsinstelling Vanguard.

Anders gezegd: wie zijn beleggingen laat beheren, kan jaarlijks gemiddeld 2,3 procent ongunstiger uit zijn dan de markt. Na 30 jaar beleggen scheelt dat ruim de helft van je eindkapitaal.

Bezitters van beleggingsverzekeringen staan er veel treuriger voor. Stel de heren A en B beleggen beiden een ton. A kiest een fonds dat belegt in een wereldwijde beursindex met 0,5 procent kosten. B kiest een beleggingsverzekering met een wereldwijd fonds erin. Jaarlijks maakt hij (ongemerkt) 3,5 procent kosten. Stijgen de beurzen de komende dertig jaar gemiddeld 6,5 procent, dan bezit A in 2038 een mooie 574.350 euro, terwijl polisbelegger B een treurige 242.730 euro overhoudt, bijna 60 procent minder dan A. Daarnaast betaalt B waarschijnlijk aan een te dure levensverzekering.

Toch telt Nederland vier miljoen mijnheer B’s. Dit terwijl ingewijden al ruim tien jaar geleden waarschuwden voor de kosten van beleggingspolissen. In 1997 verscheen het rapport ‘Marktverkenning beleggingsverzekeringen’ van actuarieel Bureau Hammer.

De misstanden die de onderzoekers signaleerden, zijn nog helemaal actueel. Zo werd bij de voorgespiegelde opbrengsten regelmatig geen rekening gehouden met kosten en met premies voor de risicoverzekering bij overlijden.

Pure misleiding, meenden de onderzoekers, want jaarlijks kon dat 2 procent rendement schelen (over 30 jaar bijna de helft van het eindkapitaal). Verder ‘vergat’ een kwart van de onderzochte 29 verzekeraars hun jaarlijkse beheer- en bewaarkosten van het voorbeeldkapitaal af te halen. Zijn die 0,5 procent, dan scheelt dat nog eens 11 procent eindkapitaal. Tot slot gingen bij afloop van de polis nog verkoopkosten van de poliswaarde af. Vaak weer 0,5 procent over het hele eindkapitaal.

Polisbeleggers konden dit niet weten, toont dezelfde studie, want de polisvoorwaarden werden doorgaans pas na het afsluiten uitgereikt. Zelfs mét polisvoorwaarden was vergelijken trouwens moeilijk, want verzekeraars hanteren een oerwoud aan kostensoorten. Er zijn verkoopkosten, switchkosten, aankoopkosten, eerste kosten, doorlopende kosten, afsluitprovisie, beheerskosten, winstopslag, poliskosten, afkoopkosten, opslag voor termijnbetaling, verzekeringskosten, administratiekosten, uittreedkosten, performance related fee, kosten voor risicobeheer, premiekosten, stortingskosten, incassokosten, opnamekosten en wijzigingskosten.

Waarom heeft onze overheid deze slechte producten nooit verboden of aan banden gelegd? Waarom hebben consumentenorganisaties er niet met spandoeken tegen geprotesteerd op het Binnenhof of voor de kantoren van Aegon, Nationale-Nederlanden, de Rabobank, Delta Lloyd, Zwitserleven, Falcon, Interpolis of een van de andere vijftig aanbieders? Waarom is er niet net als door bedrijven, keihard tegen geprotesteerd of geprocedeerd?

Waakzaamheid blijft geboden, want er circuleren weer nieuwe te dure, riskante en foute financiële producten. Pas op met bepaalde vastgoedinvesteringen, beleggingen in agrarische producten, te dure beleggingsfondsen en beleggingen met garantie (notes). Dan hoeft u over tien jaar niet te zeggen dat u niet gewaarschuwd was.