Alles komt goed – als je geld hebt

Personeel bij de eerste hulp dat ‘inschrijfgeld’ wil zien, taxichauffeurs die extreme bedragen vragen. Wie net met de auto is verongelukt in Liberia, kan maar beter over geld beschikken.

De dag voor het auto-ongeluk moet ik geld ophalen bij Western Union. In het kantoor staan zeker dertig mensen geduldig in een lange rij voor het loket, alle stoelen zijn bezet. Western Union is het officieuze bijstandskantoor van Liberia. Driekwart van de bevolking wordt in leven gehouden door familie in het buitenland. Dit gaat de hele ochtend duren. Ik loop naar de deur. Een schriele bewaker in een verschoten uniform pakt mijn hand. „Ik kan je helpen”, fluistert hij. „Geef mij je gegevens maar.”

Ik neem hem op, bedenk hoe weinig dollars ik nog heb, en knik subtiel van ja. Ik schrijf de code op die nodig is om mijn geld te krijgen en volg hem gedwee tot vooraan de rij. Hij schuift mijn papieren naar de vrouw achter het loket. Zonder een woord te zeggen toetst ze mijn gegevens in. Ik werp een laffe blik op de rij achter me. Niemand verheft zijn stem, kucht, of protesteert. Niet de minste blijk van verontwaardiging.

Als ik weer buiten sta, legt de bewaker uit waarom. „Andere mensen kunnen precies hetzelfde doen. Ze hebben het geld er alleen niet voor over.” Ik beloon hem met drie dollar, een bedrag waarvoor hij bijna op de knieën valt van dankbaarheid. Een politieagent verdient 83 dollar per maand. Drie dollar is veel, maar niets vergeleken bij de duizend dollar die ik net heb afgehaald.

Na vijf jaar in West-Afrika vraag ik me nog geregeld af hoe het is om hier geboren te zijn. Ik betaal smeergeld als smeergeld nodig is, heb allerlei tropische ziektes doorstaan en ondervonden wat het is om veracht te worden wegens je huidskleur. Maar hoe het is om overgeleverd te zijn aan de willekeur van de rijken, dag in dag uit je eten bij elkaar te moeten schrapen, ziek te zijn maar geen geld te hebben voor medicijnen – nee, want ik heb een vangnet. Ik heb geld, ik kan altijd nog naar huis.

De volgende dag rijden we met negentig kilometer per uur over het verkruimelde asfalt van een landweg. Opeens zit er een brommerrijder voor ons die niet meer kan uitwijken. Vlak voordat we hem raken, gooit de chauffeur het stuur om en duiken we in een greppel. Een klap, dan stilte. De voorruit is verbrijzeld, de motorkap verkreukeld. De chauffeur sleept eerst mij uit de Landrover en dan mijn Liberiaanse reisgenoot Harry, die op de achterbank zat. Ik heb alleen wat glassplinters in mijn gezicht. Harry, die geen gordel droeg, vergaat van de pijn. We leggen hem in de berm en kijken om ons heen.

Een heel dorp is uitgelopen. Tientallen lichamen drommen om ons heen. Harry en ik worden aangestaard alsof we circusdieren zijn die een hoogst merkwaardig kunstje hebben opgevoerd.

De brommerrijder heeft de benen genomen, bang dat hij de schuld krijgt van het ongeluk. Harry draagt me op de bagage uit de auto te halen voordat onze tassen worden gestolen. Een passerende taxi stopt, de inzittenden stappen uit met slaande portieren. In de chaos van stemmen prikt een vrouw met haar vinger in mijn wang. „Je bloedt”, constateert ze. Het enige waar de chauffeur aan denkt is de Landrover. Hij moet het wrak bewaken, anders halen de dorpelingen alle onderdelen ervan af.

De politie verschijnt uit het niets. Veertien, nee, vijftien man springen van een pick-up truck. De meute deinst achteruit. Een politieagent met een blocnote vraagt wat er is gebeurd. Ik heb mijn zin nog niet afgemaakt of hij draait zich om en stelt dezelfde vraag aan iemand anders. Een andere politieagent schreeuwt mij van een afstand nutteloze vragen toe. „Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe?” Een derde agent wankelt op mij af. Hij heeft varkensoogjes en stinkt naar alcohol. Hij liegt dat hij me een lift kan geven. Na het einde van de burgeroorlog heeft de VN-vredesmacht in Liberia een nieuwe politiemacht op poten gezet. De National Police is zogenaamd het kroonjuweel van de heropbouw. Godzijdank zijn ze niet gewapend.

De hoofdstad ligt op minstens vier uur rijden. Harry kreunt dat hij naar een ziekenhuis moet. Ik smeek de chauffeur van de taxi of hij ons naar het dichtstbijzijnde stadje brengt. We laden Harry en de bagage in en ontsnappen in een schuddende Peugeot aan de politie. De chauffeur, die uit het bewuste stadje komt, weet echter niet waar het ziekenhuis is.

Na een kwartier vinden we de eerste hulp. Er is geen dokter maar wel een receptionist die wil dat ik eerst twee dollar betaal voor ‘inschrijfkosten’. De taxichauffeur eist een buitensporig bedrag voor de rit. Harry moet tot morgen wachten voor een röntgenfoto: er is geen elektriciteit en de diesel voor de generator is op. De receptionist informeert of ik een ‘cadeautje’ voor hem heb. Ik vraag me af of hij dat ook zou doen als ik een hevig bloedende dorpsvrouw was. Nee, denk ik dan, als ik geen geld had, was ik hier niet eens toegelaten.

Terwijl ik me verbaas over het algehele gebrek aan mededogen gaat de telefoon. De baas van Harry zegt dat hij een auto zal sturen om me op te halen. Harry wil in het ziekenhuis blijven. Ik regel een fles lokaal gestookte alcohol voor hem en neem afscheid. Eind goed, al goed. Als je geld hebt.

Pauline Bax heeft op haar weblog een foto geplaatst van de gecrashte Landrover: nofoodforlazyman.blogspot.com

    • Pauline Bax