‘Zij getuigden met fictie’

De vroege romans over WO I zijn het onderzoeksterrein van historici geworden. Doodzonde vindt wetenschapper Pierre Schoentjes. Hij wil ze als literatuur bestuderen.

Pierre Schoentjes Foto Ivan Put pierre schoentjes schreef een boek over franse literatuur in de eerste wereldoorlog. foto gemaakt ah oord der gefusilleerden in gent waar 52 burgers werden doodgeschoten. voor elke burger is een boom geplant foto Ivan Put Put, Ivan

‘Ik was soldaat! Me dunkt, ik werd een heel andere rat. Ik had alleen nog maar een aanmatigend medelijden met de eenvoudige knaagdieren waarvan leven of dood weinig betekende voor de redding van het vaderland.’ Les mémoires d’un rat van Pierre Chaîne uit 1917 vertelt vanuit het gezichtspunt van de rat Ferdinand over het leven in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Franse soldaten nemen hem gevangen om hem daarna als levend alarm tegen gasaanvallen in hun midden op te nemen. Het boek werd enthousiast ontvangen. Anatole France schreef in 1921, het jaar dat hij de Nobelprijs voor de literatuur won, een lovend voorwoord voor de tweede herziene uitgave. Maar wie nu meer wil lezen over Ferdinand zoekt in Franse boekwinkels tevergeefs naar een goedkope Folio- of Livre de Poche-uitgave.

„Ik had dan ook nog nooit van hem gehoord,” vertelt Pierre Schoentjes, hoogleraar Franse literatuur aan de Universiteit van Gent. „Ik vond een eerste uitgave op een rommelmarkt in Zuid-Frankrijk en heb hem gekocht voor een halve euro. Het is een hallucinant verhaal, dat heel goed door Folio opnieuw of hier in vertaling in de reeks Oorlogsdomein uitgegeven zou kunnen worden – maar dan wel alleen de originele uitgave, want Chaîne heeft aan de herziene uitgave een tweede deel toegevoegd. Daarin gebruikt hij als een boulevardier te veel goedkope clichés.”

Schoentjes (1963) is de afgelopen vijf jaar bezig geweest met een inventarisatie van de Franse literatuur over de Eerste Wereldoorlog. Maar ik heb ook alvast de Engelse, Duitse, Spaanse en Italiaanse Eerste Wereldoorlogliteratuur doorgenomen. Ik heb dus ruim driehonderd romans gelezen.” Het resultaat is Fictions de la Grande Guerre, dat vorige week is verschenen. Verder is hij medeorganisator van het driedaagse internationale colloquium De Grote Oorlog. Een eeuw Franse oorlogsfictie dat vandaag en morgen nog in Ieper wordt gehouden.

Hoeveel Franse romans over de Eerste Wereldoorlog zijn verschenen?

„Een zestigtal tijdens de oorlog en in het Interbellum, de populaire literatuur niet meegerekend. Daarna een hele tijd niets. Opvallend: sinds 1980 zijn weer vijftig romans rond het onderwerp verschenen. Denk aan L’acacia van Claude Simon, Les champs d’honneur [‘De velden van eer’] van Jean Rouaud en Les âmes grises [‘Grijze zielen’] van Philippe Claudel.”

De oudste Eerste Wereldoorlog-boeken zijn in Frankrijk buiten de literaire canon gevallen, zegt u.

„Ja, slechts een paar romans zijn bekend, maar vooral als pacifistische getuigenisliteratuur. Dat komt door het Franse literatuuronderwijs, dat centraal geregeld wordt en geheel in dienst staat van de universalistische waarden. Op school lezen leerlingen alleen Le feu van Henri Barbusse en Les croix de Boix van Roland Dorgelès. Van die twee Dorgelès dan weer het vaakst, omdat Barbusse later communist is geworden. Beiden worden niet gelezen om hun eigen literaire waarden. Nee, ze dienen ten eerste als een les in pacifistische burgerzin. Als het wel om literatuur gaat, dienen ze alleen als opstap voor onderwijs over Céline. Iedereen leest ook nog eens alleen maar dezelfde paar passages, die ze later allemaal nog uit hun hoofd kunnen opzeggen.

„De vroege romans over de Eerste Wereldoorlog zijn het onderzoeksterrein van historici geworden, die vooral willen weten hoe getrouw ze als getuigen zijn. Ik wilde de oorlogsromans juist weer als literatuur bestuderen. Niet voor niets ging tijdens de oorlogsjaren de Prix Goncourt ieder jaar naar zo’n oorlogsroman.”

Le feu ontving de prijs in 1916, de uitgestelde prijs van 1914 ging hetzelfde jaar naar Appèl du sol van Adrien Bertrand, een jaar later was La flamme au poing van Henry Malherbe aan de beurt, gevolgd door Civilisations 1914-1917 van Georges Duhamel. Het joyeuse Gaspard van René Benjamin, dat in 1915 de prijs won, logenstraft het algemene beeld dat de oorlogsromans alleen pacifistisch waren. „En zonder Prousts intriges had niet híj maar Dorgelès in 1919 de prijs gewonnen. Die won toen wel een andere belangrijke literaire prijs, de Prix Fémina. Ik wil hiermee niet zeggen dat die oorlogsromans eigenlijk allemaal meesterwerken zijn – de Prix Goncourt geeft alleen maar de mode van de dag weer. Afgezien van Chaîne en Jusqu’ à Yser en La boue des Flandres van de Waalse arts Max Deauville ben ik geen onbekende meesterwerken tegengekomen, maar dat was ook niet mijn doel.”

Hoe kwam u op het spoor van al die in literaire ongenade gevallen romans gekomen?

„Ik ben tweetalig opgevoed – in de familie hebben we een rijke Franse bibliotheek met klassieke en minder bekende werken. Als jongen van dertien, veertien jaar las ik al Duhamel of Les souvenirs du guerre van de Franse filosoof Emile Alain – in de uitgave die mijn grootvader als cavalerist tijdens de Tweede Wereldoorlog in de strijd had meegenomen. Veel titels heb ik verder gehaald uit de bibliografie in Témoins van oud-strijder Jean Norton Cru. Zijn publicatie en analyse in 1929 van de getuigenissen en herinneringen van andere oud-strijders zorgden voor een rel, want hij was zeer kritisch over erkende auteurs als Barbusse en Dorgelès. Hij vond hen geen betrouwbare getuigen, maar een voorbeeld van pacifisten die de waarheid geweld aandeden, zeg maar logen voor het goede doel. Dat is ook de centrale paradox: waarom schrijven mensen die willen getuigen fictie?”

Volgens u omdat ze zich bewust waren van de efficiëntie van fictie als medium en omdat ze literaire ambities hadden. Barbusse en Dorgelès waren in die tijd nog relatief onbekende namen. Schreven de gevestigde namen van die tijd geen oorlogsromans?

„Vrijwel niet. André Gide en Valery Larbaud bleven ver van de oorlog. En Anatole France, het ironische geweten van die tijd, beschouwde later Sur la voie glorieuse, waarin hij de Franse soldaten oproept hun ‘uitmuntende moed’ te bewaren, als de enige fout van zijn leven.”

Wat valt er over de literaire stijl van de oorlogsromans te zeggen?

„Er is geen stijlbreuk. Barbusse werd niet voor niets de Zola van de loopgraven genoemd. Ik heb de romans bestudeerd aan de hand van een aantal thema’s – de held, het lijk, met eigen handen doden, de koloniale troepen, vrouwen, de gefusilleerden en de gasaanvallen. Dan valt op dat de auteurs op verschillende manieren realistisch schrijven. Chaîne en Deauville gebruiken de litotes en volstaan met te zeggen dat een rat aan een lijk eet, maar Jean Giono staat in Le grand troupeau (1933) uitgebreid stil bij de rat die met zijn gele tandjes een oog aanvreet alsof het een ei is. Louis Dumur beschrijft in Nach Paris! (1919) sensationalistisch, bijna pornografisch een collectieve verkrachting, inclusief bajonetten.

,,Ook wie zegt dat hij rechtstreeks beschrijft wat hij heeft gezien en meegemaakt, blijkt gewoon aan te sluiten bij de literaire traditie. Neem Barbusse die het erotische en morbide vermengt door te beschrijven hoe een lijk op iemand valt en dat die soldaat dat ervaart alsof hij vrijt met het meisje dat hem ooit heeft afgewezen. Precies zo’n scène grijpt terug op Baudelaire. Als Dorgelès een idyllisch landschap beschrijft sluit hij af met de opmerking dat het net een schilderij van de 19de-eeuwse schilder Jean-Baptiste Corot is.

,,De beschrijvingen van de gasaanvallen geven de auteurs de gelegenheid om hun artistieke registers open te trekken. Ze vallen terug op het symbolisme en creëren allerlei fantastische werelden. Rouaud doet het in de moderne tijd heel anders. Hij beschrijft hoe soldaten hun best doen om uit de loopgraven te klimmen door op de doden te gaan staan. Zonder het te beseffen – ik heb het hem later gevraagd – heeft hij het beeld van de gaskamers uit de Tweede Wereldoorlog gebruikt. Ook de auteurs van de oorlogsromans beschrijven dus een gestructureerde realiteit. Zoals Simon zei: Kunst is orde scheppen in iets dat geen orde heeft.”

Wat zijn de grote verschillen tussen de vroege en moderne Eerste Wereldoorlogromans?

„De karakters in de vroege romans hebben weinig diepgang. De individuele verantwoordelijkheid komt weinig aan bod. Nu is er meer psychologie en aandacht voor interne kwellingen. Het beeld dat de Eerste Wereldoorlog een absurde oorlog was, vind je vooral nu, maar in 1914 vond niemand het absurd om Frankrijk te verdedigen.”

Waarom is de Eerste Wereldoorlog de laatste 25 jaar weer een onderwerp voor een roman?

„De oud-strijders, over wie de komiek Coluche rond 1980 nog grappen kon maken, zijn bijna allemaal dood. Met nog maar een enkeling in leven is de karikatuur van de zeurende ancien combattant uit het discours verdwenen, want niet meer passend. Nu gebruiken Franse schrijvers de Eerste Wereldoorlog voor een zoektocht naar zichzelf, zien de periode met het ‘eerlijke’ platteland bijna als een idyllische tijd en beschouwen de Grote Oorlog als een onderwerp dat vanwege de bestaande consensus gemakkelijk te gebruiken is om het idee van ‘nooit meer oorlog’ uit te dragen. In een roman over de Tweede Wereldoorlog wordt dat al moeilijk. Over Algerije nog veel moeilijker. Één fundamentele vraag stellen de schrijvers van nu zich niet: bestaan er ook gerechtvaardigde oorlogen?”

‘Fictions de la Grande Guerre’ van Pierre Schoentjes komt in september uit bij Garnier Classique. De romans van Barbusse, Duhamel en Dorgelès zijn in vertaling uitgegeven in de reeks Oorlogsdomein van de Arbeiderspers.

    • Theo Toebosch