Vrije woord is het recht op twijfelen

Politici weten niet goed wat vrijheid van meningsuiting is.

Rob Wijnberg wel; hij doordenkt het vrije woord tot zijn laatste consequenties.

Filosoof Rob Wijnberg weet in In dubio ( P ro m e t h e u s , €15,–) meningsvrijheid tot in haar consequenties te doordenken, vindt Martijn Meijer. n Zie pagina 6 Rob Wijnberg: In dubio. Vrijheid van meningsuiting als het recht om te twijfelen. Prometheus, 144 blz. € 15,–

Afgelopen jaren is de vrijheid van meningsuiting onderwerp van discussie geweest, in het bijzonder de grenzen ervan. Zo lijkt Geert Wilders zich er niet van bewust dat er iets tegenstrijdigs schuilt in het feit dat hij uitbundig van de vrijheid van meningsuiting gebruik maakt en tegelijk anderen die vrijheid wil ontzeggen.

Rob Wijnberg (1982), redacteur van NRC Handelsblad en nrc.next, geeft in In dubio meer voorbeelden van politici die niet goed beseffen hoe belangrijk de vrijheid van meningsuiting is voor een vitale democratie. Zij willen die vrijheid beperken zodat voortaan de gevoelens van gelovigen gespaard blijven. De ‘goede smaak’ wordt aangevoerd of het ‘openbaar fatsoen’; steeds grijpt men terug op een moreel belang om het discours schoon te vegen. Wijnberg doet een ambitieuze poging om uit te leggen dat de vrijheid van meningsuiting niet aan banden gelegd kan worden, omdat zij dan zou ophouden te bestaan.

De polemische toon die Wijnberg soms aanslaat kan de indruk wekken dat hij slechts een liberale opvatting van meningsvrijheid ventileert. Maar hij wil dieper graven: geïnspireerd door de filosofen Mill en Nietzsche gaat hij op zoek naar het ‘grondprincipe’ van de vrijheid van meningsuiting, een ‘nieuw beginsel’ op basis waarvan we kunnen besluiten wat wel en niet mag worden verkondigd. Zijn uitgangspunt is dat bij meningsvrijheid altijd grenzen worden verondersteld; het uiten van een mening heeft alleen zin als je een idee hebt over wat toelaatbaar is en niet toelaatbaar. Maar het veronderstellen van die grenzen is iets anders dan het definitief vaststellen ervan. Hoe kunnen we ooit de meningsvrijheid op een legitieme manier afbakenen als er geen onwrikbaar wereldbeeld bestaat dat door iedereen wordt gedeeld?

Zo lijkt de vrijheid van meningsuiting een onmogelijke vrijheid. Wijnberg vindt hierin een nieuw aanknopingspunt. Het wezenlijke belang van de meningsvrijheid zit hem precies, schrijft hij, in ‘het waarborgen van een vrij en open debat over goed en kwaad. [...] Meningsvrijheid vereist weliswaar grenzen, gebaseerd op een bepaalde conceptie van het goede, maar verwerpt zelf, als principe, de definitieve vaststelling van die grenzen’. Stel je voor dat we wél over een definitieve morele waarheid zouden beschikken en de bijbehorende grenzen; dan zou het debat over goed en kwaad tot stilstand komen.

‘Meningsvrijheid is een principe dat de vaststelling van haar eigen grenzen ondermijnt.’ Met deze intelligente wending redt Wijnberg deze vrijheid van haar onmogelijkheid: hij laat zien dat ze nooit vastgelegd kan worden, dat ze even beweeglijk is als de opinies die ze mogelijk maakt.

Waarom is het pleidooi van Geert Wilders voor een Koranverbod dus zo problematisch? Dat is omdat de waarden die hij aanhangt het domein van vrije expressie veronderstellen; dan kunnen ze dus niet tegelijk dat domein afbakenen. Op het moment dat je jouw waarden boven iedere vorm van discussie gaat verheffen, door ze als de grenzen van vrijheid van meningsuiting te definiëren, ontdoe je die waarden van iedere betekenis. De vrijheid van meningsuiting is daarom niet alleen het recht om een waarheid te verkondigen, het is vooral ook het recht om (on)waarheden te betwijfelen en zelfs om meningen te verkondigen, die velen onwelgevallig zijn. Alleen zo, door de definitieve vaststelling van goed en kwaad op te schorten, kan de meningsvrijheid in leven blijven. Alleen een onbelemmerde meningsvrijheid maakt een gezonde democratie mogelijk die onwelgevallige geluiden niet weert maar weet te absorberen.

De auteur vindt uiteindelijk het grondprincipe van de vrijheid van meningsuiting in de twijfel. Waar het recht om te twijfelen in het geding raakt, waar de discussie tot stilstand dreigt te komen, daar ligt de grens van de vrijheid van meningsuiting. Wijnberg denkt hierbij aan intentieverklaringen tot het overtreden van bepaalde wetten, zoals een doodsbedreiging. Zo’n bedreiging kan niet betwijfeld worden; de staat wordt erdoor verplicht tot ingrijpen. Zo is de ‘grens aan de vrije expressie binnen de vrije expressie zelf gevonden’.

Rob Wijnberg slaagt erin om de meningsvrijheid tot in haar laatste consequenties te doordenken. Zijn redeneringen maakt hij concreet met tal van recente voorbeelden. Steeds wijst hij aan waar politici en opiniemakers het recht op vrije meningsuiting niet goed begrepen hebben of waar ze terugschrikken voor de reikwijdte ervan. Daarom noemt hij het ook ‘het meest onderschatte en onbegrepen grondrecht van de mens’. Gelukkig is er nu dit indrukwekkende en verhelderende boek voor iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

Rob Wijnberg: In dubio. Vrijheid van meningsuiting als het recht om te twijfelen. Prometheus, 144 blz. € 15,–

    • Martijn Meijer