Voorbij goed en kwaad: de twijfel

Afghaans protest op 5 maart j.l. tegen Denemarken en Nederland, in verband met de Mohammed-cartoon en de op handen zijnde film van Geert Wilders Foto Reuters Afghan protesters carry flags of the Netherlands (L) and Denmark during a protest in Logar province March 5, 2008. Around five thousand Afghans staged a protest on Wednesday to condemn the reprinting of a cartoon of the Prophet Mohammad in Danish papers, and Israeli raids on Gaza that have killed scores of Palestinians. REUTERS/ Stringer (AFGHANISTAN) REUTERS

Rob Wijnberg: In dubio. Vrijheid van meningsuiting als het recht om te twijfelen. Prometheus, 144 blz. € 15,–

De afgelopen jaren is de vrijheid van meningsuiting onderwerp van discussie geweest, in het bijzonder de grenzen ervan. Daarbij gaf een aantal politici er blijk van geen helder idee te hebben van wat dit grondrecht inhoudt. Geert Wilders bijvoorbeeld lijkt zich er niet van bewust dat er iets tegenstrijdigs schuilt in het feit dat hij uitbundig van de vrijheid van meningsuiting gebruik maakt en tegelijk anderen die vrijheid wil ontzeggen. Wilders eist immers de gelegenheid om de Koran te bekritiseren en pleit tegelijk voor een verbod op dit boek.

Rob Wijnberg (1982), redacteur van NRC Handelsblad en nrc.next, geeft in In dubio meer voorbeelden van politici die niet goed beseffen hoe belangrijk de vrijheid van meningsuiting is voor een vitale democratie. Zij willen die vrijheid beperken zodat voortaan de gevoelens van gelovigen gespaard blijven. Ook de ‘goede smaak’ wordt aangevoerd of het ‘openbaar fatsoen’; steeds wordt teruggegrepen op een moreel belang om het discours schoon te vegen. In zijn boek, eigenlijk een lang essay, doet Wijnberg een ambitieuze poging om uit te leggen dat de vrijheid van meningsuiting niet aan banden gelegd kan worden, omdat zij dan zou ophouden te bestaan.

De polemische toon die Wijnberg soms aanslaat kan de indruk wekken dat hij slechts een liberale opvatting van meningsvrijheid ventileert. Maar de auteur wil dieper graven: geïnspireerd door de filosofen Mill en Nietzsche gaat hij op zoek naar het ‘grondprincipe’ van de vrijheid van meningsuiting, een ‘nieuw beginsel’ op basis waarvan we kunnen besluiten wat wel en niet mag worden verkondigd. Zijn uitgangspunt is dat bij meningsvrijheid altijd grenzen worden verondersteld; het uiten van een mening heeft alleen zin als je een idee hebt over wat toelaatbaar is en niet toelaatbaar. Maar het veronderstellen van die grenzen is iets anders dan het definitief vaststellen ervan. Hoe kunnen we ooit de meningsvrijheid op een legitieme manier afbakenen als er geen onwrikbaar wereldbeeld bestaat dat door iedereen wordt gedeeld?

Zo lijkt de vrijheid van meningsuiting een onmogelijke vrijheid. Wijnberg vindt hierin echter een nieuw aanknopingspunt. Het wezenlijke belang van de meningsvrijheid zit hem precies, schrijft hij, in ‘het waarborgen van een vrij en open debat over goed en kwaad’. Het doel van deze vrijheid is het ‘in beweging houden van onze opvattingen door de definitieve vaststelling van een absolute waarheid principieel op te schorten. Meningsvrijheid vereist dus weliswaar grenzen, gebaseerd op een bepaalde conceptie van het goede, maar verwerpt zelf, als principe, de definitoire vaststelling van die grenzen’. Stel je namelijk eens voor dat we wél over een definitieve morele waarheid zouden beschikken en de bijbehorende grenzen; dan zou het debat over goed en kwaad tot stilstand komen, er zou geen reden meer zijn om in het openbaar van mening te verschillen.

‘Meningsvrijheid is een principe dat de vaststelling van haar eigen grenzen ondermijnt.’ Met deze intelligente wending redt Wijnberg deze vrijheid van haar onmogelijkheid: hij laat zien dat ze nooit vastgelegd kan worden, dat ze even beweeglijk is als de opinies die ze mogelijk maakt. Hoe kan het ook anders als de grenzen die verondersteld worden bij de vrije expressie tegelijk ook onderwerp van discussie kunnen zijn: dan kunnen ze immers nooit tegelijkertijd de definitieve grenzen van die discussie vormen.

Dit is een hoogst abstracte en belangrijke gedachte in het betoog van Wijnberg. Laten we proberen het iets concreter te maken. Waarom is het pleidooi van Geert Wilders voor een Koranverbod zo problematisch? Dat is omdat de waarden die hij aanhangt het domein van vrije expressie veronderstellen; dan kunnen ze dus niet tegelijk dat domein afbakenen. Op het moment dat je jouw waarden boven iedere vorm van discussie gaat verheffen, door ze als de grenzen van vrijheid van meningsuiting te definiëren, ontdoe je die waarden van iedere betekenis. Een waarde kan namelijk niet bestaan buiten het openbaar discours, stelt Wijnberg; betekenis ontstaat pas waar taal en ook discussie mogelijk is. De vrijheid van meningsuiting is daarom niet alleen het recht om een waarheid te verkondigen, het is vooral ook het recht om (on)waarheden te betwijfelen en zelfs om meningen te verkondigen, die velen onwelgevallig zijn. Alleen op die wijze, door de definitieve vaststelling van goed en kwaad op te schorten, kan de meningsvrijheid in leven blijven; en alleen een onbelemmerde meningsvrijheid maakt een gezonde democratie mogelijk die, zoals Wijnberg schrijft, onwelgevallige geluiden niet weert maar weet te absorberen.

De auteur vindt uiteindelijk het grondprincipe van de vrijheid van meningsuiting in de twijfel; want die vrijheid is in essentie ‘het onvervreemdbare recht om te twijfelen, om vraagtekens te zetten bij de heersende normen’. Uit dit principe van de twijfel leidt hij alsnog een laatste grens af. Waar het recht om te twijfelen in het geding raakt, waar de discussie tot stilstand dreigt te raken, daar ligt de grens van de vrijheid van meningsuiting. Wijnberg denkt hierbij aan intentieverklaringen tot het overtreden van bepaalde wetten, zoals een doodsbedreiging. Zo’n bedreiging kan namelijk niet betwijfeld worden; de staat wordt erdoor verplicht tot ingrijpen. Zo is de ‘grens aan de vrije expressie binnen de vrije expressie zelf gevonden’.

Rob Wijnberg slaagt erin om de meningsvrijheid tot in haar laatste consequenties te doordenken. Zijn redeneringen maakt hij concreet met tal van recente voorbeelden. Steeds wijst hij aan waar politici en opiniemakers het recht op vrije meningsuiting niet goed begrepen hebben of waar ze terugschrikken voor de reikwijdte ervan. Daarom noemt hij het ook ‘het meest onderschatte en onbegrepen grondrecht van de mens’. Gelukkig is er nu dit indrukwekkende en verhelderende boek, dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.