Vergroeid met de laptop tuurt de jeugd de wereld in

Ik ben 65 en mijn generatie was zeer terughoudend.

De jongeren van nu zijn zielsverwanten: per gps krijgen ze te horen of hun vrienden in de buurt zijn.

Het is ondraaglijk somber in een maartse winter die maar voortduurt en de wind is koud en de mensen op de overlijdenspagina lijken er beter aan toe dan jijzelf en je prostaat voelt als een ijshockeypuck en je loopt met je portefeuille en je autosleutels naar je portefeuille en je autosleutels te zoeken en je leest een artikel over manisch-depressieve stoornissen en denkt: „Hé, dat gaat over mij”, en dus vloog ik vertwijfeld naar San Francisco voor een paar dagen, waar de winterse buien waren opgehouden en de stad baadde in het mediterrane licht en iedereen heel opgewekt leek, alsof de smog verdwenen was en gouden tijden waren weergekeerd, en plotseling voelde ik me weer dertig.

Ik logeerde in Sunset District en nam de tram naar de Van Ness Avenue en wandelde rond bij het War Memorial Opera House. De mannen die rijk waren geworden van de gold rush hielden van opera, want die leek meer verwant met hun leven dan bijvoorbeeld de muziek van Bach. Verhalen over hevig drama en romantiek en een plotselinge vroege dood – zo’n beetje als hun eigen leven. Operazangers die in een schandaal waren verwikkeld eindigden in San Francisco, een stad waar het niet uitmaakte met wie je sliep, zolang je maar Verdi kon zingen.

Het onneembare struikelblok voor (de opgestapte gouverneur van New York) Eliot Spitzer zou hier hoogstens een verkeersdrempeltje zijn. Dat soort tolerantie maakt de stad voor ons uit het Midwesten zo aantrekkelijk, plus het feit dat je er buiten kunt eten zonder door insecten te worden gebeten.

Het waren vier heerlijke dagen en ik ben niet eens naar het strand geweest. Ik heb alleen maar koffie zitten drinken in Irving Street bij het Golden Gate-park, waar ik de lente rook en de jeugd voorbij zag paraderen. Iedereen om me heen leek in de twintig, vergroeid met zijn laptop, klikkend en slepend, springend naar nieuwe links, instant messages sturend, sms’end met de linkerhand, en alleen al de omvang van de communicatie was een indrukwekkend schouwspel.

Daar zat ik dan, zwoegend op een roman waarin een man wordt geconfronteerd met zijn eigen sterfelijkheid en van de schrik een uitbarsting van hartstocht krijgt, een soort roman over het ouder worden, typend van tik-tik-tik-tik, met overal om me heen mooie jonge mensen die met behulp van allerlei media informatie alle kanten opstuurden.

Mijn generatie was terughoudend, tobberig, ambitieus en pronkzuchtig – deze generatie bestaat uit zielsverwanten. Volledig. Ik verbeeld me zo dat ze met een gps-chip rondlopen die hun een seintje geeft als er een vriend of vriendin in de buurt is, en dat hun gps hen met een afgemeten elektronische vrouwenstem bij elkaar brengt, waarna ze samen koffiedrinken en elkaar sms’en terwijl ze hun e-mail checken en door Facebook hoppen om te zien wie foto’s van hun weekend heeft gepost.

Terwijl ik daar mijn koffie dronk, hoorde ik een jongen uitvoeriger over zijn kater praten dan ik voor mogelijk had gehouden, een heel verhaal dat zijn verwachtingen van de avond ervoor te hoog waren geweest en dat hij een emotionele kant had die hem er min of meer had ingeluisd en die had geleid tot zijn ineenstorting, die hij vervolgens veel te gedetailleerd beschreef, waarna hij zei: „Mam, ik moet nu echt gaan. Later!” En toen: „Ik ook van jou.” En weer verder zijn e-mail ging lezen.

Voor mijn generatie waren katers het gevolg van het drinken van alcohol, vaak in onverstandige combinaties, en je nam een glas bittere Alka-Seltzer en leed in stilte. Je besprak ze niet met je moeder.

Maar deze generatie wil niets liever dan close zijn. Ze zijn in de verste verte niet kortaf. Montessori heeft hun geleerd om zichzelf te beminnen, en Ritalin en Prozac kwamen net op tijd om de scherpe kantjes van de puberteit glad te vijlen. Ze zijn in staat een werkstuk over James Joyce te schrijven en dan een paar kilometer te gaan hardlopen en daarna naar een Bad Hair party te gaan, terwijl ze intussen contact met hun acht beste vrienden houden. Ze houden alles in de gaten.

De jongelui slepen een karrevracht creditcardschulden met zich mee en praten dat rare hakkeltaaltje van „je weet wel dan heb ik zoiets van te gek of zo”, en ze kunnen niet hoofdrekenen of iets opzoeken in een woordenboek, maar ze zitten nergens mee. Ze zitten prima in hun vel. Ze zijn er helemaal voor hun vrienden. What’s up? That’s what’s up. Ze zijn één grote familie. Net een mierenkolonie.

Ik zat een paar dagen in hun buurt en tikte aan mijn roman en kwam in een gouden stemming en toen riep de plicht weer en belandde ik weer in de smog. Nu ben ik weer lekker gedeprimeerd, maar ach, daar zit ik niet mee.

Moet nu echt gaan. Ik ook van jou.

Garrison Keillor (65) is radiomaker in de VS. Zijn programma ‘A prairie home companion’ is iedere zaterdagavond te beluisteren. © Tribune Media Services Inc.

Lees een eerder geplaatst stuk van Keillor over de krant en de jeugd op nrcnext.nl/links

    • Garrison Keillor